Rechtspraak
werkgever/werknemer
In de onderhavige zaak gaat het om een familiebedrijf dat aan werknemer X een pensioentoezegging heeft gedaan, maar tot op heden deze pensioentoezegging niet is nagekomen. Vanwege de bedrijfssluiting speelt thans de vraag hoe het staat met de pensioenvoorzieningen voor werknemer. Werknemer heeft gevorderd dat het familiebedrijf wordt veroordeeld een pensioenvoorziening te treffen.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof overweegt dat, zo er al termen mochten zijn om het beroep op verjaring in breder verband te beschouwen dan artikel 3:310 BW en dit ook te toetsten aan artikel 3:307 BW, dit de vennootschap niet kan baten. Nog daargelaten dat de pensioenregeling in artikel 1 van de arbeidsovereenkomst nogal rudimentair is en geen duidelijke data bevat waarop de pensioenpremies onder de af te sluiten pensioenverzekering dienen te worden betaald aan de pensioenverzekeraar, komt alsdan het arrest HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8462 in beeld. Daarin is uitgemaakt dat de pensioenaanspraken voor de deelnemer rechtstreeks uit het toepasselijke pensioenreglement voortvloeiden. Indien voldaan is aan de in het pensioenreglement neergelegde voorwaarden, is het ontstaan van pensioenaanspraken niet (ook nog) afhankelijk van een daartoe strekkende handeling zoals een toekenning of administratie van de pensioenaanspraken, om welke reden van verjaring op voet van artikel 3:307 BW geen sprake kan zijn. In het onderhavige geval is er geen pensioenreglement, maar alleen de pensioentoezegging in artikel 1 lid 4 onder a van de arbeidsovereenkomst zodat de rechtsregel uit voornoemd arrest naar ’s hofs oordeel ertoe leidt dat reeds van de in dat arrest genoemde gevolgen sprake is als is voldaan aan de voorwaarden van de pensioentoezegging in de arbeidsovereenkomst. Het beroep op verjaring strandt. X vordert in hoger beroep nakoming van die pensioentoezegging, waarbij hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vennootschap reeds ver voor de datum waarop hij pensioengerechtigd zou worden (op 8 december 2018) heeft aangegeven die toezegging niet, of althans verre van volledig, gestand te willen doen. Onder die omstandigheden is geen sprake van een prematuur ingestelde vordering, aangezien X terecht een beroep op artikel 6:80 lid 1 onder b BW heeft gedaan.
Voor zover het bedrijf zich op het standpunt stelt dat X afstand zou hebben gedaan van zijn recht op pensioen is dat onjuist. X heeft hooguit aangegeven te wachten met het doorzetten van zijn acties tot nakoming van pensioenvoorzieningen. Het bewijsaanbod van het bedrijf dat werknemer wel afstand zou hebben gedaan is, ook als het breder zou moeten worden gezien, niet ter zake doende, nu de kantonrechter terecht heeft overwogen dat een eventuele afstand van pensioenrechten in strijd is met artikel 32 van de in oktober 2000 vigerende Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW). Het betoog van de vennootschap dat X als (groot)aandeelhouder van de vennootschap niet binnen het bereik van de PSW valt, vindt geen steun in het recht. De voorzieningen door het bedrijf te treffen wordt begroot op € 34.000.