Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 24 februari 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:524
werkneemster/Hema BV
Werkneemster (geboren 12 oktober 1993) is op 29 november 2008 bij Hema (vestiging Osdorpplein in Amsterdam) als kassière in dienst getreden. Nadat Hema wegens ‘derving’ een onderzoek op de werkplek heeft ingesteld, heeft zij geconstateerd dat werkneemster veelvuldig grote hoeveelheden artikelen zonder te betalen aan klanten meegaf. Werkneemster – geconfronteerd met deze bevindingen – verklaart dat zij vanaf augustus 2010 met enige regelmaat aan haar nicht en daarna ook aan de buurvrouw van haar nicht goederen meegaf. Tussen partijen is een vaststellingsovereenkomst gesloten met daarin een afbetalingsregeling aan Hema van € 13.000. Werkneemster is strafrechtelijk vervolgd en op staande voet ontslagen. Werkneemster betwist in de onderhavige procedure dat de vervreemde goederen een waarde van € 13.000 hadden. Zij was destijds minderjarig toen zij de verklaringen tekende.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof overweegt dat de overeenkomst tot afbetaling voortvloeit uit de constatering door Hema dat werkneemster tijdens haar werkzaamheden goederen van Hema had verduisterd en uit de eerdergenoemde bekennende verklaring van werkneemster hierover, alsmede een door haarzelf op schrift gestelde verklaring. In de vervolgens opgestelde overeenkomst, die Hema en werkneemster hebben getekend, is uitgegaan van de verklaring en schattingen van werkneemster met betrekking tot de frequentie van de verduisteringen en de daarmee verband houdende bedragen. In zoverre is dan ook, anders dan werkneemster stelt, voldoende duidelijk hoe de vordering van Hema is opgebouwd. Werkneemster is nimmer op haar verklaringen teruggekomen, ook niet toen zij kort na de ondertekening van de overeenkomst meerderjarig was geworden. Zij is voor haar strafbare gedragingen veroordeeld en heeft evenmin gegevens uit het strafdossier overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat het daadwerkelijk schadebedrag minder is dan in de overeenkomst is vermeld. Zij heeft in hoger beroep ook niet gesteld en onderbouwd dat en waarom een ander schadebedrag zou moeten gelden en welk bedrag dit zou betreffen. Net zomin als in eerste aanleg heeft werkneemster derhalve in hoger beroep onderbouwd dat zij met de ondertekening van de overeenkomst niet overeenkomstig haar wil heeft verklaard of, voor zover er een discrepantie tussen haar wil en verklaring zou zijn, dat Hema er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij overeenkomstig haar wil verklaarde. Van een nietige of op grond van een wilsgebrek vernietigbare rechtshandeling is geen sprake.