Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 3 maart 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:698
werknemer/Advocatenkantoor X B.V.
Werknemer is op 1 september 2011 voor onbepaalde tijd bij Advocatenkantoor X (werkgever) in dienst getreden als advocaat-stagiair. X drijft een kantoor dat voor 90% uit toevoegingszaken bestaat. Nadat werknemer eerder toevoegingsgelden op zijn persoonlijke rekening liet storten, heeft er een interventie plaatsgevonden door de Raad van Toezicht van de Orde. Op 28 april 2014 heeft werknemer aan de Raad voor de Rechtsbijstand verzocht om toevoegingsvergoedingen voor alle zaken waarvan de toevoeging op zijn naam stond, niet uit te betalen (ruim € 10.000). Daarop heeft X de werknemer op staande voet ontslagen. Werknemer heeft de vernietigbaarheid van de opzegging ingeroepen en vordert loon. X vordert schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 3 BW. Voorts vordert zij onder last van een dwangsom meewerking aan uitbetaling van alle openstaande toevoegingen.
Het hof oordeelt als volgt. Het ontslag op staande voet is onverwijld verleend en in casu is tevens sprake van een dringende reden. X heeft steeds tijdig het loon betaald en werknemer diende de toevoegingsgelden af te dragen. Het hof is voorshands van oordeel dat – mede gelet op de aard van de dringende reden – werknemer door opzet althans in ieder geval door schuld aan X een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Dit maakt werknemer in beginsel schadeplichtig jegens X. Laatstgenoemde bedoelt kennelijk primair volledige schadevergoeding te vorderen. Bij de volledige schadevergoeding gaat het niet om alle schade die X lijdt door het beëindigen van de arbeidsovereenkomst maar slechts om de schade die verband houdt met de onregelmatigheid van de opzegging, dus niet om de schade die is veroorzaakt door de opzegging maar uitsluitend om de schade die is veroorzaakt door het feit dat niet regelmatig is opgezegd. Met de kantonrechter is het hof voorlopig van oordeel X onvoldoende feitelijk heeft toegelicht dat de gestelde schade het gevolg is van het feit dat onregelmatig is opgezegd. Wel bestaat er grond voor toewijzing van de gefixeerde schadevergoeding die gelijk is aan het bedrag van het in geld vastgesteld loon voor de tijd dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren (vgl. art. 7:680 lid 1 BW). Nu daarover niets anders is gesteld of gebleken gaat het hof voorshands uit van de wettelijke opzegtermijn, die op basis van artikel 7:672 lid 2 aanhef en onder a BW in dit geval één maand beloopt. Tevens wordt werknemer veroordeeld mee te werken aan uitkering van toevoegingsgelden bij de Raad voor de Rechtsbijstand.