Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 9 februari 2015
ECLI:NL:RBNNE:2015:1152
werkgeefster/werknemer
Werknemer is sinds 1980 in dienst. Laatstelijk is hij werkzaam in de functie van vakman waterbouw. Werknemer heeft zich op 28 oktober 2013 ziek gemeld. Werkgeefster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden en voert daartoe het volgende aan. Werknemer heeft steeds voorgewend dat hij in feite ongeschikt was voor elke vorm van fysiek werk dan ook. Werknemer heeft nooit te kennen gegeven dat hij zich weer in staat voelde om zijn werkzaamheden enigszins op te pakken. Uit de met foto- en filmmateriaal gestaafde bevindingen van de bedrijfsrechercheur blijkt evenwel dat werknemer wel degelijk in staat is om fysiek werk te verrichten. Voorts heeft het UWV in haar deskundigenoordeel van 17 december 2014 met zoveel woorden aangegeven dat wat werknemer tot op dat moment had beweerd over zijn arbeidsongeschiktheid niet in overeenstemming is met de werkelijkheid. Werknemer betwist dat hij zijn arbeidsongeschiktheid heeft geveinsd. Zijn verweer strekt primair tot afwijzing van het verzoek.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Wanneer de werkgever twijfels heeft over de arbeidsongeschiktheid dient de werkgever zich tot de bedrijfsarts te wenden, waarna de bedrijfsarts zijn oordeel over de arbeidsongeschiktheid kan geven. Desgewenst kunnen de werkgever en de werknemer vervolgens een second opinion aanvragen. Vaststaat dat werkgeefster deze route niet heeft gevolgd. Als uitgangspunt heeft daarom te gelden dat werknemer nog steeds arbeidsongeschikt is. Dat uitgangspunt zal uitzondering kunnen lijden wanneer het ook zonder medisch oordeel volstrekt helder is dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar die omstandigheid doet zich in deze zaak niet voor. Uit het door de bedrijfsrechercheur aangeleverde foto- en filmmateriaal kan namelijk niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat het klip en klaar is dat hier sprake is van een kerngezonde, arbeidsgeschikte werknemer. Voorts volgt uit het deskundigenoordeel van 17 december 2014 niet dat er sprake is van voorgewende arbeidsongeschiktheid. Een dringende reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst is dan ook niet aanwezig.
Subsidiair stelt werkgeefster dat sprake is van een vertrouwensbreuk nu werknemer in de frequente contacten met haar personeelsfunctionaris nimmer heeft aangegeven dat hij zich weer in staat voelde om zijn werkzaamheden enigszins op te pakken en dat ook niet uit de rapportages van de bedrijfsarts blijkt dat werknemer zich in die zin tegenover hem heeft uitgelaten. Uit een citaat van de verzekeringsarts volgt dat hij er door de (nieuwe) bedrijfsarts over is geïnformeerd dat de fysieke gesteldheid van werknemer was verbeterd. Het lag op de weg van werkgeefster om ter staving van haar stelling dat de bedrijfsarts niet wist van de verbeterde fysieke gesteldheid van werknemer, stukken in het geding te brengen. Nu werkgeefster dit heeft nagelaten, moet in rechte van de juistheid van de verklaring van de verzekeringsarts worden uitgegaan en staat aldus voldoende vast dat de bedrijfsarts ervan op de hoogte was dat de fysieke gesteldheid van werknemer was verbeterd. Een werknemer mag ervan uitgaan dat de bedrijfsarts met de werkgeefster correspondeert over zijn/haar (mate van) arbeidsongeschiktheid. Dat dit kennelijk in dit geval niet is gebeurd, kan niet aan werknemer worden tegengeworpen. Het had weliswaar in de rede gelegen dat werknemer ook zelf aan de personeelsfunctionaris had gemeld dat hij (enigszins) aan de beterende hand was, maar in het licht van de (te verwachten) communicatie tussen bedrijfsarts en werkgeefster, is dat geen reden voor ontbinding. Daarbij weegt mee dat werknemer 35 jaar in dienst is en kennelijk nimmer kritiek is geuit op zijn functioneren. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek.