Naar boven ↑

Rechtspraak

AKT (vakbond)/Shell Aviation Finland Oy (SAF)
Hof van Justitie van de Europese Unie, 17 maart 2015
ECLI:EU:C:2015:173

AKT (vakbond)/Shell Aviation Finland Oy (SAF)

Artikel 4 Uitzendrichtlijn (heroverwegingen verboden of beperkingen uitzendarbeid) verplicht nationale rechter niet tot buiten toepassing laten van strijdige nationale regelingen uit cao.

SAF is een onderneming die brandstof levert op meerdere luchthavens in Finland. Haar werknemers hebben tot taak de vliegtuigen van brandstof te voorzien, een kwaliteitscontrole uit te voeren en andere taken te verrichten om de vliegtuigen op die luchthavens bij te staan. SAF valt onder de werkingssfeer van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de tankwagen- en olieproductenbranche. In artikel 29 cao is bepaald dat uitzendkrachten slechts ter opvang van piek&ziek mogen worden ingezet en niet om structureel werkzaamheden te verrichten binnen een onderneming. AKT, de vakbond, vordert in de onderhavige procedure veroordeling van SAF tot betaling van de cao-boete wegens overtreding van dit verbod. SAF stelt zich primair op het standpunt dat zij de bepaling niet overtreedt, maar voorts dat een dergelijke bepaling in strijd is met artikel 4 Richtlijn 2008/104/EG (Uitzendrichtlijn). Artikel 29 cao werpt namelijk ongerechtvaardigde drempels op voor inzet van uitzendarbeiders. Ofschoon genoemde richtlijn dit niet uitdrukkelijk bepaalt, zou de nationale rechter de verboden en beperkingen inzake uitzendarbeid die indruisen tegen de doelstellingen van de richtlijn buiten toepassing moeten laten, aldus SAF.

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Met haar eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of artikel 4 lid 1 van Richtlijn 2008/104 aldus moet worden uitgelegd dat het de autoriteiten van de lidstaten, de nationale rechterlijke instanties daaronder begrepen, de verplichting oplegt, iedere bepaling van nationaal recht waarin verboden of beperkingen voor de inzet van uitzendkrachten zijn opgenomen die niet gerechtvaardigd zijn om redenen van algemeen belang in de zin van voormeld artikel 4 lid 1 buiten toepassing te laten. Lid 1 van voormeld artikel 4, gelezen in samenhang met de overige leden van dit artikel, is enkel gericht tot de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, die hun nationale regelgeving in heroverweging dienen te nemen om na te gaan of de verboden of beperkingen ter zake van de inzet van uitzendkrachten nog steeds gerechtvaardigd zijn om redenen van algemeen belang, en de Commissie van de resultaten van die heroverweging in kennis dienen te stellen. Dergelijke verplichtingen kunnen niet door de nationale rechterlijke instanties worden vervuld. Afhankelijk van het resultaat van die heroverweging, die moest zijn afgerond op een datum die overeenstemt met de datum waarop de in artikel 11 lid 1 van Richtlijn 2008/104 genoemde termijn voor tenuitvoerlegging van deze richtlijn verstreek, kon de situatie ontstaan waarin de lidstaten, die volledig moeten voldoen aan de verplichtingen die ingevolge artikel 4 lid 1 van deze richtlijn op hen rusten, hun nationale regelgeving op het gebied van uitzendarbeid moesten wijzigen. Dat neemt echter niet weg dat de lidstaten daartoe ofwel de verboden of beperkingen die niet kunnen worden gerechtvaardigd krachtens die bepaling kunnen afschaffen ofwel die verboden of beperkingen kunnen aanpassen zodat zij in voorkomend geval krachtens die bepaling kunnen worden gerechtvaardigd. Hieruit volgt dat artikel 4 lid 1 van Richtlijn 2008/104, in de context ervan beschouwd, aldus moet worden begrepen dat het het kader afbakent waarbinnen de regelgeving van de lidstaten op het gebied van verboden en beperkingen ter zake van de inzet van uitzendkrachten tot stand moet komen, en niet in die zin dat het tot de vaststelling van een bepaalde regeling ter zake verplicht. Op de eerste vraag moet dan ook worden geantwoord dat artikel 4 lid 1 van Richtlijn 2008/104 aldus moet worden uitgelegd:

– dat het enkel is gericht tot de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, die hun nationale regelgeving in heroverweging dienen te nemen om na te gaan of de eventuele verboden en beperkingen ter zake van de inzet van uitzendkrachten gerechtvaardigd zijn, en bijgevolg

– dat het de nationale rechterlijke instanties niet verplicht, iedere bepaling van nationaal recht waarin verboden of beperkingen voor de inzet de uitzendkrachten zijn opgenomen die niet gerechtvaardigd zijn om redenen van algemeen belang in de zin van voormeld artikel 4 lid 1 buiten toepassing te laten.