Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 maart 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:1933
34 werknemers en FNV/moedervennootschap van werkgever
In april 2010 heeft tapijtfabriek een grootschalige reorganisatie aangekondigd (van 116 fte naar 35 fte). Tussen werkgever en de FNV is een akkoord gesloten over het sociaal plan, waarbij een vergoeding op grond van de oude kantonrechtersformule met C=0,5 is bedongen. Voorts heeft de moedervennootschap van werkgever zich garant gesteld voor de nakoming van het sociaal plan. De reorganisatie heeft plaatsgevonden. De toenmalige Rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft werkgever op 24 mei 2011 in staat van faillissement verklaard. De curator heeft de 39 werknemers die nog in dienst waren van werkgever ontslag aangezegd. Werknemers hebben in eerste aanleg, stellende dat het sociaal plan ook van toepassing is op de werknemers van werkgever die door het faillissement van die onderneming werkloos zijn geworden en dat ook die oorzaak van het verlies van hun baan recht geeft op een uitkering conform het sociaal plan. De rechtbank heeft de vorderingen alle afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de werknemers niet als partij bij de totstandkoming van het sociaal plan en de garantstelling zijn betrokken, maar daarop thans wel een beroep doen. Zij wensen als derden daaraan rechten te ontlenen. Moedervennootschap is weliswaar partij bij de garantstelling, maar niet bij (de totstandkoming van) het sociaal plan. Zij heeft zich als derde garant gesteld voor de uitvoering van het sociaal plan dat is overeengekomen tussen FNV en werkgever. Nu de rechtspositie van derden in het geding is, dient volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de uitleg van het sociaal plan te geschieden aan de hand van de zogenaamde cao-norm. Het gaat daarbij om een uitleg naar objectieve maatstaven, dat wil zeggen dat voor die uitleg de bewoordingen van de desbetreffende bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn (HR 26 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5961).De door werknemers gestelde afspraak dat het sociaal plan ook voor de achterblijvers zou gelden, is volgens de rechtbank niet met zoveel woorden in het sociaal plan opgenomen. Werknemers stellen dat naast het sociaal plan sprake is van een door moedervennootschap gegeven garantie, die zij aanmerken als een overeenkomst van borgtocht. Moedervennootschap verenigt zich met deze kwalificatie. Volgens werkneemster dient deze borgtochtovereenkomst conform de Haviltex-norm te worden uitgelegd en heeft de rechtbank daarom ten onrechte de subjectieve bedoelingen en de gewekte verwachtingen aan de onderhandelingstafel buiten beschouwing gelaten.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof overweegt dat werknemers het accessoire karakter van de overeenkomst van borgtocht miskennen. Immers, ingevolge artikel 7:851 lid 1 BW is de borgtocht afhankelijk van de verbintenis van de hoofdschuldenaar waarvoor zij is aangegaan. De hoofdschuldenaar is werkgever en de verbintenis die deze is aangegaan, bestaat uit de op haar rustende verplichtingen uit het sociaal plan. Het sociaal plan is een cao en moet conform de cao-norm worden uitgelegd, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. Dat daarnaast sprake is van een accessoire overeenkomst van borgtocht waarbij moedervennootschap zich garant stelt voor de verplichtingen van werkgever, maakt niet dat daarmee het karakter van de hoofdverbintenis wordt gewijzigd en dat daarop een andere uitlegmaatstaf van toepassing wordt. Dat de borgtochtovereenkomst zelf zich wel voor een uitleg conform de Haviltex-maatstaf leent, doet daaraan niet af. Op zich hebben werknemers het gelijk aan hun zijde dat tussen de cao-norm en de Haviltex-norm sprake is van een vloeiende overgang en dat ook bij de cao-uitleg geen sprake is van een strikt grammaticale uitleg (vgl. HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427 (DSM/Fox)) maar ook in deze meer genuanceerde uitlegmethode blijft overeind dat bij de uitleg van geschriften waarin een overeenkomst of een andere regeling is vastgelegd, die naar haar aard bestemd is de rechtspositie van derden te beïnvloeden, zonder dat die derden invloed hebben op de inhoud of de formulering van die overeenkomst respectievelijk regeling, terwijl de onderliggende partijbedoeling voor de derden niet kenbaar is, de niet kenbare bedoeling van degenen die de uit te leggen bepaling hebben geformuleerd buiten beschouwing behoort te blijven. Het sociaal plan is een zodanig geschrift waarin een regeling die van belang is voor de rechtspositie van derden is neergelegd. De voor deze derden niet kenbare partijbedoelingen van FNV en werkgever dienen derhalve buiten beschouwing te blijven. Anders dan werknemers stellen, volgt uit de beschikbare stukken niet dat het sociaal plan ook op achterblijvers van toepassing zou zijn.
De stelling dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is het sociaal plan niet op hen toe te passen wegens ontbreken van een ontslagvergoeding, wijst het hof af. Hier staat immers tegenover dat werknemers (langer) loon hebben genoten.