Naar boven ↑

Rechtspraak

Gérard Fenoll/CAT La Jouvene en de association de parents et d’amis de personnes handicapées mentales (APEI) d’Avignon
Hof van Justitie van de Europese Unie, 26 maart 2015
ECLI:EU:C:2015:200

Gérard Fenoll/CAT La Jouvene en de association de parents et d’amis de personnes handicapées mentales (APEI) d’Avignon

Gehandicapte werknemer die arbeid in arbeidstherapie verricht is ‘werknemer’ in de zin van Richtlijn 2003/88 en heeft bijgevolg recht op vakantieverlof. Particulieren komt geen direct beroep op artikel 7 Richtlijn 2003/88 toe. Handvest Grondrechten niet van toepassing (rationae temporis).

Het Franse recht wijst zogenoemde centra voor arbeidstherapie aan die al dan niet voorzien in huisvesting, gehandicapte jongeren en volwassenen opvangen die, tijdelijk of duurzaam, niet in staat zijn te werken in gewone ondernemingen, in een beschermde werkomgeving of voor rekening van een centrum voor verstrekking van thuiswerk, en die evenmin een zelfstandige beroepsactiviteit kunnen uitoefenen. Zij bieden hun mogelijkheden voor de uitoefening van verschillende beroepsactiviteiten aan, medisch-sociale en educatieve ondersteuning, en een leefomgeving die hun persoonlijke ontwikkeling en maatschappelijke integratie bevordert. Volgens het Franse recht genieten deze personen de status van werknemer (‘gehandicapte werknemer’). Fenoll was van 1 februari 1996 tot 20 juni 2005 cliënt van het CAT ‘La Jouvene’. Aanvankelijk heeft hij conform de voorschriften vijf weken jaarlijkse vakantie met behoud van loon ontvangen. Vanaf 16 oktober 2004 tot het moment waarop hij voormeld CAT verliet, was Fenoll met ziekteverlof. Bij aanvang van deze periode van arbeidsongeschiktheid had hij nog een saldo van twaalf dagen verworven en niet-opgenomen jaarlijkse vakantie met behoud van loon tegoed voor het arbeidstijdvak van 1 juni 2003 tot 31 mei 2004. Voorts heeft Fenoll geen vakantie kunnen genieten voor de referentieperiode van 1 juni 2004 tot en met 31 mei 2005. Deze verworven en niet-opgenomen rechten op jaarlijkse vakantie voor de twee hierboven bedoelde periodes gaven volgens Fenoll recht op betaling van een financiële vergoeding ten bedrage van € 945. Het CAT ‘La Jouvene’ heeft geweigerd hem deze vergoeding te betalen. De verwijzende rechter vraagt het Hof van Justitie EU of het begrip ‘werknemer’ als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 2003/88 en in artikel 31 lid 2 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op een persoon die wordt opgevangen in een CAT als dat in het hoofdgeding.

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. De vraag die dient te worden beantwoord is dus, of Fenoll die werkzaamheid verricht als werknemer in de zin van artikel 7 van Richtlijn 2003/88 en van artikel 31 lid 2 van het Handvest. Dienaangaande moet met betrekking tot Richtlijn 2003/88 worden opgemerkt, zoals de advocaat-generaal in punt 29 van zijn conclusie betoogt, dat deze richtlijn niet verwijst naar het begrip ‘werknemer’ zoals opgenomen in Richtlijn 89/391, noch naar de definitie van dat begrip in de nationale wettelijke regelingen en/of praktijken (zie in die zin arrest Union syndicale Solidaires Isère, C-428/09, ECLI:EU:C:2010:612, punt 27). Hieruit volgt dat in het kader van de toepassing van Richtlijn 2003/88 het begrip ‘werknemer’ niet naar gelang van het nationale recht verschillend mag worden uitgelegd, maar een specifieke betekenis in het recht van de Unie heeft (arrest Union syndicale Solidaires Isère, C-428/09, ECLI:EU:C:2010:612, punt 28). Zoals de advocaat-generaal in punt 26 van zijn conclusie heeft benadrukt, dient deze vaststelling ook te gelden bij de uitlegging van het begrip ‘werknemer’ als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 2003/88 en in artikel 31 lid 2 van het Handvest, teneinde ervoor te zorgen dat het toepassingsgebied ratione personae van het recht van werknemers op vakantie met behoud van loon eenduidig blijft. In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het begrip ‘werknemer’ in het kader van Richtlijn 2003/88 moet worden omschreven aan de hand van objectieve criteria die, wat de rechten en plichten van de betrokkenen betreft, kenmerkend zijn voor de arbeidsverhouding. ‘Werknemer’ is aldus iedereen die reële en daadwerkelijke arbeid verricht, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig zijn. Het hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding is dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt (zie in die zin arresten Union syndicale Solidaires Isère, C-428/09, ECLI:EU:C:2010:612, punt 28, en Neidel, C-337/10, ECLI:EU:C:2012:263, punt 23). Om na te gaan of een dergelijk begrip ook betrekking kan hebben op een in een CAT opgevangen persoon zoals Fenoll, dient rekening te worden gehouden met de volgende elementen. Ten eerste heeft het Hof geoordeeld dat voor de door de nationale rechter te verrichten kwalificatie ten aanzien van het begrip ‘werknemer’ deze rechter zich dient te baseren op objectieve criteria en alle omstandigheden van de voor hem dienende zaak die te maken hebben met de aard van zowel de betrokken werkzaamheden als de verhouding tussen de betrokken partijen, in hun geheel dient te beoordelen (arrest Union syndicale Solidaires Isère, C-428/09, ECLI:EU:C:2010:612, punt 29). In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat in een CAT opgevangen personen niet onderworpen zijn aan een aantal bepalingen van de code du travail. Die omstandigheid, die tot gevolg heeft dat de rechtssituatie van die personen als ‘sui generis’ moet worden aangemerkt, kan evenwel niet beslissend zijn in het kader van de beoordeling van de arbeidsverhouding tussen de betrokken partijen. Er zij immers aan herinnerd dat het Hof dienaangaande reeds heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat een arbeidsverhouding naar nationaal recht een rechtskarakter sui generis heeft, geen gevolgen mag hebben voor de hoedanigheid van werknemer in de zin van het recht van de Unie (zie arrest Kiiski, C-116/06, ECLI:EU:C:2007:536, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ten tweede staat vast dat Fenoll gedurende een zekere tijd, in casu vanaf zijn indiensttreding in het CAT ‘La Jouvene’ in 1996 en gedurende minstens vijf achtereenvolgende jaren, waarvoor hij overigens jaarlijkse vakantie met behoud van loon ontving, diverse prestaties heeft verricht. Blijkens het aan het Hof overgelegde dossier werd de arbeid, waarnaast ook medisch-sociale ondersteuning werd geboden, toegewezen en begeleid door het personeel en de directie van het CAT ‘La Jouvene’, dat ernaar streefde om de betrokkene een levenswijze te bieden die het best aansloot op zijn behoeften. Een dergelijk organisatorisch kader stelt een lichaam zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde CAT in staat zowel te waken over de persoonlijke ontplooiing van een zwaar gehandicapte persoon door de erkenning van zijn bekwaamheden, als, in de mate van het mogelijke, erop toe te zien dat de aan die persoon toevertrouwde prestaties voor het betrokken lichaam een zeker economisch nut kunnen hebben. Ten derde blijkt tevens uit het aan het Hof overgelegde dossier dat tegenover de prestaties van Fenoll, die daarmee deelnam aan het economisch-sociale programma van het CAT ‘La Jouvene’, een vergoeding stond. In dat verband zij opgemerkt dat met het feit dat dit loon veel lager zou zijn dan het in Frankrijk gewaarborgde minimumloon geen rekening kan worden gehouden bij de kwalificatie van Fenoll als ‘werknemer’ in de zin van het Unierecht. Volgens vaste rechtspraak van het Hof kunnen de meer of minder grote productiviteit van de betrokkene, de herkomst van de middelen waaruit het loon wordt betaald dan wel de geringe hoogte van dit loon, immers geen gevolgen hebben voor de hoedanigheid van werknemer in de zin van het Unierecht (zie arresten Bettray, C-344/87, ECLI:EU:C:1989:226, punten 15 en 16, Kurz, C-188/00, ECLI:EU:C:2002:694, punt 32, en Trojani, C-456/02, ECLI:EU:C:2004:488, punt 16). Ten vierde is het belangrijk of de door Fenoll in het CAT ‘La Jouvene’ uitgeoefende werkzaamheden moeten worden aangemerkt als ‘reëel en daadwerkelijk’ dan wel louter marginaal en bijkomstig, zodat zij volgens de in punt 27 van het onderhavige arrest aangehaalde vaste rechtspraak van het Hof niet tot gevolg kunnen hebben dat degene die deze werkzaamheden verricht wordt aangemerkt als ‘werknemer’. Om te beginnen zij er immers op gewezen dat ofschoon het Hof in punt 17 van het arrest Bettray (C-344/87, ECLI:EU:C:1989:226) heeft geoordeeld dat werkzaamheden die enkel een middel zijn ter revalidatie of wederopneming van de personen die deze verrichten, niet kunnen worden beschouwd als reële en daadwerkelijke economische activiteiten, het ook reeds heeft gepreciseerd dat die overweging enkel relevant is tegen de achtergrond van de feitelijke omstandigheden naar aanleiding waarvan dat arrest is gewezen, die erin bestonden dat een persoon wegens zijn drugsverslaving tewerkgesteld was op basis van een nationale regeling die bedoeld was om werk te verschaffen aan personen die ten gevolge van omstandigheden in verband met hun toestand gedurende onbepaalde tijd niet in staat waren onder normale omstandigheden arbeid te verrichten (zie arrest Trojani, C-456/02, ECLI:EU:C:2004:488, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Vervolgens moet worden vastgesteld dat, hoewel de banen binnen het CAT ‘La Jouvene’, net zoals de banen voor drugsverslaafden in de zaak die heeft geleid tot het arrest Bettray (C-344/87, ECLI:EU:C:1989:226), voorbehouden zijn voor personen die ten gevolge van omstandigheden in verband met hun toestand niet in staat zijn onder normale omstandigheden arbeid te verrichten, uit het aan het Hof overgelegde dossier toch blijkt dat het concept zelf van de regeling inzake de werking van een CAT en bijgevolg de aldaar door gehandicapten verrichte werkzaamheden, van dien aard is dat deze werkzaamheden niet louter marginaal en bijkomstig blijken te zijn in de zin van de in punt 27 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak. Zoals de advocaat-generaal in punt 42 van zijn conclusie heeft benadrukt, werden de door de gehandicapten in het CAT ‘La Jouvene’ verrichte werkzaamheden immers niet louter opgezet om de betrokkenen, eventueel als afleiding, een bezigheid te geven. Die werkzaamheden, hoewel zij waren aangepast aan de bekwaamheden van de betrokken personen, hadden immers ook een zeker economisch nut. Dat is des te meer het geval omdat die werkzaamheden het mogelijk maken de productiviteit, al is deze nog zo gering, te valoriseren van zwaar gehandicapte personen en tegelijk de hun toekomende sociale bescherming te verzekeren. Uit het voorgaande volgt derhalve dat, op basis van de elementen uit het aan het Hof overgelegde dossier, een persoon die werkzaamheden verricht zoals de werkzaamheden van Fenoll in het CAT ‘La Jouvene’, kan worden aangemerkt als ‘werknemer’ als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 2003/88 en in artikel 31 lid 2 van het Handvest.

Wat de mogelijkheid betreft om een beroep te doen op artikel 7 van Richtlijn 2003/88, waarin het juist gaat om het recht op jaarlijks verlof met behoud van loon, volgt uit de vaste rechtspraak van het Hof dat indien het nationale recht niet in overeenstemming met die richtlijn kan worden uitgelegd – hetgeen door de verwijzende rechterlijke instantie dient te worden nagegaan – partijen in een geding tussen particulieren zoals dat in het hoofdgeding zich niet kunnen beroepen op artikel 7 van die richtlijn teneinde de volle werking van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon te verzekeren en elke tegenstrijdige nationaalrechtelijke bepaling buiten toepassing te laten. Anderzijds zou in een dergelijke situatie de partij die benadeeld is doordat het nationale recht niet met het recht van de Unie strookt zich wel kunnen beroepen op de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 19 november 1991, Francovich e.a. (C-6/90 en C-9/90, ECLI:EU:C:1991:428), om in voorkomend geval vergoeding van de geleden schade te verkrijgen (zie arrest Dominguez, C-282/10, ECLI:EU:C:2012:33, punt 43).