Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Parnassia
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 24 maart 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:567

werknemer/Parnassia

Geen kennelijk onredelijk ontslag 63-jarige werknemer. Schending re-integratieverplichtingen werknemer. Loonstop.

Werknemer, geboren op 12 september 1949, is op 1 december 2001 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) Parnassia in de functie van ziekenverzorger. Naar aanleiding van een incident dat zich in maart 2010 heeft voorgedaan op de werkvloer is werknemer vanaf 1 oktober 2010 werkzaam geweest als zorg-assistent. Naar aanleiding van een incident op 4 maart 2011 is werknemer door Parnassia geschorst. Op 11 maart 2011 heeft werknemer vervolgens een officiële waarschuwing gekregen. In een gesprek op 15 maart 2011 heeft Parnassia werknemer twee opties voorgelegd, kort samengevat bestaande uit overplaatsing naar een andere afdeling of beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een financiële regeling. Werknemer heeft niet meer op een van deze opties gereageerd en zich op of omstreeks 21 maart 2011 ziek gemeld. Werknemer heeft vervolgens geen gehoor gegeven aan oproepen van de bedrijfsarts en anderszins geen medewerking verleend aan de re-integratie. Op 15 maart 2012 heeft het UWV aan Parnassia toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met werknemer op te zeggen. Het UWV heeft in zijn beslissing overwogen dat Parnassia aannemelijk heeft gemaakt dat werknemer verwijtbaar niet meewerkt aan re-integratie. Parnassia heeft de arbeidsovereenkomst vervolgens bij brief van 19 maart 2012 met inachtneming van de geldende opzegtermijn opgezegd tegen 1 juni 2012.

Het hof oordeelt als volgt. De rechtbank heeft onder de door haar in aanmerking genomen omstandigheden geoordeeld dat van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de nadelige gevolgen van de beëindiging geheel of ten dele voor rekening van Parnassia dienen te komen niet is gebleken. Het hof ziet op grond van die omstandigheden, rekening houdend met hetgeen hiervoor over de pensioenschade is komen vast te staan, geen aanleiding om te oordelen dat wel van zodanige bijzondere omstandigheden is gebleken. De overwegingen van de rechtbank daaromtrent neemt het hof over en maakt deze tot de zijne. Het hof acht de gevolgen van de opzegging niet dermate ernstig in vergelijking met het evidente belang van Parnassia bij de opzegging dat de opzegging kennelijk onredelijk is.