Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 10 februari 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:856
werknemer/werkgever
Werknemer is op 1 december 2008 in dienst getreden van werkgever als advocaat-stagiair. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat deze is aangegaan voor de duur van de stageperiode. Op 27 februari 2009 is werknemer beëdigd als advocaat en is de drie jaar durende stage aangevangen. In februari 2012 hebben partijen gesproken over voortzetting van het dienstverband na het verkrijgen van de stageverklaring. Aan werknemer is toen toegezegd dat de arbeidsovereenkomst met zes maanden zal worden verlengd. Op 29 maart 2012 is de stageverklaring aan werknemer uitgereikt. Werknemer heeft zijn werkzaamheden bij werkgever voortgezet tot april. Partijen verschillen van mening over de vraag wat nu rechtens heeft te gelden. Heeft werknemer ingestemd met de verlenging voor zes maanden? Is de arbeidsovereenkomst van rechtswege geëindigd?
Het hof oordeelt als volgt. Artikel 7:668a lid 1 onder a BW bepaalt, voor zover van belang, dat vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden, met ingang van die laatste dag de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. Tussen werknemer en werkgever is tussen 1 december 2008 en 1 december 2011 echter geen sprake geweest van meer dan één arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Werknemer en werkgever zijn één arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan, namelijk ‘voor de duur van de stagetijd’, zoals is bepaald in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst. In zoverre verschilt de situatie dan ook op een cruciaal punt van de zaak die heeft geleid tot het door werknemer aangehaalde arrest HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1081, JAR 2013/299. In die zaak was immers sprake van verschillende opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Artikel 7:668a lid 1 onder a BW staat er, anders dan werknemer lijkt te bepleiten, niet aan in de weg dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van meer dan drie jaar wordt overeengekomen, hetgeen ook al blijkt uit artikel 7:668a lid 3 BW.
Op grond van artikel 5.6 van het stagereglement rustte op werkgever de verplichting om zes maanden voor het einde van de stage met werknemer in gesprek te gaan over eventuele voortzetting van de arbeidsverhouding. Ook uit artikel 7:611 BW vloeit voort dat werkgever tijdig voorafgaand aan het einde van de overeengekomen bepaalde tijd met werknemer over een eventuele voortzetting in gesprek diende te gaan. Werkgever heeft dat nagelaten. Weliswaar heeft werkgever half februari 2012 daarover met werknemer gesproken (en bij brief van 15 februari 2012 aan werknemer bevestigd dat het dienstverband met zes maanden zou worden verlengd op nader te bespreken voorwaarden), maar zij heeft dit gesprek niet afgemaakt en is niet tijdig teruggekomen op de kwestie onder welke voorwaarden het dienstverband zou worden verlengd. Daardoor heeft werkgever werknemer de mogelijkheid onthouden tijdig zijn OV-jaarkaart op te zeggen en zich daarmee onnodige kosten te besparen. Artikel 7:611 BW brengt dan ook mee dat werkgever die kosten voor haar rekening dient te nemen.