Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 26 maart 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:1116
LCVR De Biezenrijt-de Werkschuur en Kort Verblijf/Stichting X Zorg
Het geschil betreft onder meer de wijziging van de medezeggenschapsstructuur binnen de zorgorganisatie. De cliëntenmedezeggenschap was oorspronkelijk (in 2008) in drie lagen getrapt en dubbel georganiseerd: op lokaal, op regionaal en op centraal niveau was er in oorsprong per niveau zowel een cliëntenraad (CR) als een cliëntvertegenwoordigersraad (CVR). Dit resulteerde in een centrale CR (CCR) en een centrale CVR (CCVR), regionale CR’en (RCR’en) en regionale CVR’en (RCVR’en) en lokale CR’en (LCR’en) en lokale CVR’en (LCVR’en). De lokale raden hadden daartoe bevoegdheden overgedragen aan de regionale en centrale raden. Met ingang van 1 januari 2015 wordt de medezeggenschapsstructuur door de zorgaanbieder gewijzigigd in die zin dat de lokale en regionale cliëntenraden niet meer zullen worden gesitueerd per (geografische) locatie, maar per divisie/cluster (waarbij de doelgroep van de zorg bepalend is). Naast de centrale cliëntenraden zou er door de wijziging dus nog slechts sprake zijn van zogenoemde clusterraden. De zorgaanbieder heeft de lokale cliëntenraden niet bij deze wijziging betrokken. Het hof buigt zich over de volgende vorderingen van De Biezenrijt c.s. (hierna: de lokale cliëntenraden): (a) de lokale cliëntenraden schriftelijk te erkennen als cliëntenraad in de zin van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) en de zorgaanbieder te verplichten hen aldus alsnog actief en direct te betrekken bij de medezeggenschap binnen de stichting waaronder – maar niet uitsluitend – de voorgenomen invoering van een geheel nieuwe medezeggenschapsstructuur; (b) de informatieplicht uit artikel 5 Wmcz na te leven, en uit dien hoofde de lokale cliëntenraden de in hun brief van 13 april 2014 verzochte informatie te verstrekken; (c) de declaraties van de raadsman van de cliëntenraden te voldoen en de zorgaanbieder te veroordelen in de kosten van het geding.
Het hof oordeelt hierover als volgt. Het hof is van oordeel dat in de kern de zorgaanbieder met de gekozen nieuwe medezeggenschapsstructuur waarin slechts formele medezeggenschap op centraal niveau en clusterniveau en niet op het niveau van de locaties (de ‘zelfsturende teams’) is belegd, de bedoeling van de wetgever als kenbaar uit de parlementaire geschiedenis van de Wmcz (oud) om de medezeggenschap op een zo laag mogelijk niveau binnen de organisatie vorm te geven, miskent. Het is volgens het hof overigens zonder meer toegestaan vanaf het niveau van ‘instelling’, zijnde in de nieuwe structuur het zelfsturende team, in samenspraak met de aldaar in te stellen cliëntenraden, respectievelijk cliëntenvertegenwoordigersraden, via delegatie ook daarboven raden in te stellen, bijvoorbeeld op clusterniveau en op centraal niveau. Aldus laat zich een structuur voorstellen die wel degelijk werkbaar zou (moeten) kunnen zijn. Maar de structuur moet dan wel van onderop worden georganiseerd, zoals uit de parlementaire geschiedenis blijkt. De zorgaanbieder handelt naar het oordeel van het hof derhalve in strijd met de verplichting in artikel 2 lid 1 Wmcz.
Ten aanzien van de vordering de zorgaanbieder te veroordelen zijn informatieplicht ex artikel 5 lid 1 Wmcz na te leven, oordeelt het hof dat niet de burgelijke rechter, maar de commissie van vertrouwenslieden ter zake van deze vordering bevoegd is. Artikel 10 lid 2 Wmcz strekt zich namelijk niet uit tot vorderingen ex artikel 5 lid 1 Wmcz.
Ten aanzien van de door de lokale cliëntenraden gemaakte proceskosten oordeelt het hof ten slotte dat deze blijkens artikel 2 lid 5 Wmcz ten laste van de zorgaanbieder komen, mits: (1) het gaat om een rechtsgeding zoals bedoeld in artikel 10 lid 2 Wmcz; (2) de zorgaanbieder van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld. Omdat het geschil in eerste aanleg slechts betrekking had op de naleving van artikel 5 lid 1 Wmcz, was volgens het hof in eerste aanleg geen sprake van een geschil als bedoeld in artikel 10 lid 2 Wmcz. De proceskosten in eerste aanleg komen daarom volgens het hof niet voor vergoeding in aanmerking. Dit is anders ten aanzien van de proceskosten die in hoger beroep zijn gemaakt, omdat in hoger beroep tevens de naleving van artikel 2 lid 1 Wmcz aan de orde werd gesteld. Ook aan de tweede voorwaarde – dat de zorgaanbieder van tevoren van de te maken kosten in kennis moet zijn gesteld – is ten aanzien van deze kosten voldaan. De vraag van de lokale cliëntenraden of de zorgaanbieder is gehouden de kosten van de procedure in beroep voor haar rekening te nemen, dient daarmee volgens het hof in beginsel en in algemene zin bevestigend te worden beantwoord. Naast de redelijkheid van het feit als zodanig dat kosten voor juridische bijstand zijn gemaakt, betwist de zorgaanbieder echter ook de redelijkheid van de hoogte van de gemaakte kosten. Het oordeel hierover houdt het hof aan in afwachting van de verdere inbreng ter zake van partijen.