Naar boven ↑

Rechtspraak

GCS Holding B.V./werknemer
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 1 april 2015
ECLI:NL:RBAMS:2015:1742

GCS Holding B.V./werknemer

Nederlandse rechter is op grond van forumkeuze bevoegd over geschil over certificaten in Nederlandse holding te oordelen, ook al woont en werkt werknemer in de VS. Optieregeling hangt nauw samen met arbeidsovereenkomst, zodat kantonrechter bevoegd is.

Werknemer is in dienst van de Amerikaanse vennootschap Global Collect Services USA Inc. (hierna: GCSU). Hij woont in de VS, waar ook de arbeid wordt verricht. Werknemer is op 1 november 2010 met GCS Holding (Nederlandse holding) een Stock Matching Option Plan (hierna: SMOP) aangegaan. De SMOP is neergelegd in een schriftelijke overeenkomst: de ‘Grant Letter’. Op basis van die overeenkomst verkreeg werknemer honderd optierechten en tien certificaten van aandelen in GCS Holding. In de Grant Letter is een forumkeuze voor de ‘courts in Amsterdam’ opgenomen. De ‘Grant Letter’ verwijst naar de ‘Global Collect stock matching option plan Plan rules’ (hierna: de rules). Werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst met GCSA opgezegd tegen 2 mei 2014. Bij brief van 5 mei 2014 heeft GCS Holding werknemer geïnformeerd dat zij hem als een ‘bad leaver’ in de zin van de rules beschouwt. GCS Holding vordert bij vonnis primair voor recht te verklaren dat werknemer gehouden is de tien certificaten van aandelen aan GCS Holding te leveren. Voor alle weren beroept werknemer zich op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter.

De rechtbank oordeelt als volgt. Artikel 4 lid 2 EEX-Vo (oud) is van toepassing. Gelet op het partijdebat, het feit dat GCS Holding in Nederland is gevestigd en de rules een rechtskeuze voor Nederlands recht bevatten kan niet worden gezegd dat bij de keuze voor de Nederlandse rechter geen redelijk belang bestaat. De situatie waarop artikel 8 lid 2 Rv ziet – partijen bij een Nederlandse arbeidsovereenkomst wijzen een buitenlandse rechter aan – doet zich hier niet voor, zodat ook de uitzondering die op dat geval ziet (lid 3) niet van toepassing is. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat artikel 108 lid 2 Rv slechts ziet op relatieve bevoegdheid, niet op internationale rechtsmacht. Zodoende komt de Nederlandse rechter internationale rechtsmacht toe, op grond van artikel 8 lid 1 Rv en de door partijen gemaakte forumkeuze.

In het incident voert werknemer ook aan dat niet de rechtbank, maar de kantonrechter bevoegd is, omdat de grondslag van de vordering ziet op een arbeidsovereenkomst. Door GCS Holding is niet betwist dat de deelname in het SMOP door werknemer samenhangt met zijn arbeidsovereenkomst met GCSU. Zij voert in de hoofdzaak ook aan dat de gestelde terugleveringsverplichting van werknemer volgt uit het gestelde feit dat werknemer als ‘bad leaver’ gekwalificeerd moet worden. Die kwalificatie ziet op (het einde van) de arbeidsverhouding tussen werknemer en GCSU. De rechtbank is daarom van oordeel dat de optieregeling nauw samenhangt met de beëindigde arbeidsovereenkomst tussen GSCU en werknemer. Dat de eisende partij niet de werkgever is en dat het gaat om een arbeidsovereenkomst naar het recht van (een staat van) de VS is – gelet op de tekst van artikel 93 Rv – niet van belang. Derhalve is op grond van artikel 93 onder c Rv de kantonrechter te Amsterdam de bevoegde rechter om te beslissen op de vorderingen van GCS Holding in hoofdzaak en incident strekkende tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening. De zaak wordt verwezen naar de Kantonrechter Amsterdam.