Naar boven ↑

Rechtspraak

FNV Bouw/Vlechtersbedrijf Akkoord B.V.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 1 april 2015
ECLI:NL:RBLIM:2015:2734

FNV Bouw/Vlechtersbedrijf Akkoord B.V.

In cao-bepaling op grond waarvan ‘opbouw van vakantiedagen volgens kalenderjaren verloopt’, ligt niet besloten dat toekenning dan ook aan het begin van het betreffende jaar dient te geschieden. Werkgever niet verplicht om aan het begin van een kalenderjaar aan zijn werknemers mede te delen hoeveel verlofuren in totaal voor dat nog te voltooien jaar verworven kunnen worden.

Vlechtersbedrijf Akkoord (hierna: Akkoord) valt onder de werkingssfeer van de CAO voor de Bouwnijverheid. De arbeidsovereenkomsten tussen Akkoord en de bij haar werkzame personeelsleden worden beheerst door deze cao. FNV vordert in de onderhavige procedure een verklaring voor recht dat voor Akkoord het bepaalde in artikel 35a van de CAO voor de Bouwnijverheid ‘eveneens geldend recht is’ en derhalve door haar correct toegepast ‘c.q.’ nagekomen dient te worden, dat wil zeggen dat Akkoord op de voet van artikel 35a lid 1 van de cao de vakantiedagenopbouw per kalenderjaar dient te laten plaatsvinden en op de voet van artikel 35a lid 8 gehouden is tot doorbetaling van het ‘vast overeengekomen loon over de door werknemer opgenomen wettelijke vakantiedagen’ dan wel subsidiair – voor zover hierover ‘discussie mocht zijn’ – het bepaalde in artikel 7:639 lid 1 BW dient toe te passen en/of na te komen in de zin dat Akkoord ‘gedurende vakanties’ het loon dient door te betalen aan haar werknemers.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Een cao moet in de eerste plaats grammaticaal/taalkundig – naar de letter, zij het in de gehele context – uitgelegd worden. In de formulering van de eerste zin van artikel 35a lid 1 cao, ‘De opbouw van vakantiedagen verloopt volgens kalenderjaren’, ligt niet besloten dat toekenning dan ook aan het begin van het betreffende jaar dient te geschieden. Dit laatste zou weliswaar met enige goede wil kunnen worden beschouwd als in het voordeel van de werknemer, maar een dergelijk vervolg op de opbouwregel is in de verdere tekst van het cao-artikel niet opgenomen en berust slechts op de vrije interpretatie van FNV. FNV stelt weliswaar dat artikel 35a lid 1 cao een nadere uitwerking vormt van artikel 7:634 lid 1 BW, maar levert daarvoor geen enkel argument dat ontleend is aan de tekst van het betreffende cao-artikel zelf of aan de cao-context waarin het figureert. De kantonrechter leest in de cao-bepaling noch in de wet dat een werkgever verplicht is om aan het begin van een kalenderjaar aan zijn werknemers mede te delen hoeveel verlofuren in totaal voor dat nog te voltooien jaar verworven kunnen worden (bij voortduren van de arbeidsovereenkomst tot ten minste het einde van dat jaar), zodat het onjuist én verboden zou zijn om een administratief systeem te hanteren waarbij maandelijks het recht dat in de voorbije maand daadwerkelijk ontstaan is, aan de werknemer bevestigd (als effectieve toekenning op papier of langs digitale weg zichtbaar gemaakt) wordt. Niet in te zien valt dat en waarom een dergelijk systeem op gespannen voet staat met de regel dat de opbouw per kalenderjaar dan wel vakantiejaar geschiedt, zolang maar duidelijk is dat aan het eind van het (vakantie)jaar het totaalplaatje klopt en de werknemer op geen enkele wijze nadeel ondervindt in het benutten van de mogelijkheden verworven/nog te verwerven rechten op verlof te effectueren.

Het tweede geschilpunt tussen partijen heeft betrekking op naleving van artikel 35a lid 8 cao en/of van artikel 7:639 lid 1 BW. FNV stelt in het exploot dat Akkoord zich niet houdt aan de verplichting om gedurende een vakantieperiode het volledige loon door te betalen. Dit wordt door Akkoord gemotiveerd betwist. FNV heeft erkend dat ‘de werknemers gedurende de zomervakantie inderdaad het loon doorbetaald gekregen hebben’. Als het al zo is dat Akkoord met looninhoudingen ter zake (bij opnemen van vakantie als ‘voorschot’) gedreigd heeft, is dit te weinig substantieel om daarop nu de toewijzing van het tweede deel van de vordering van FNV te baseren. De kantonrechter gaat ervan uit dat Akkoord het niet zover zal laten komen dat zij werknemers in haar dienst op die manier zonder duidelijke noodzaak en rechtvaardiging in inkomensproblemen brengt (waar deze immers naar verwachting in de rest van het jaar de voorschotdagen gewoon alsnog opbouwen). De vordering tot schadevergoeding voor een bedrag van € 5.000 ontbeert iedere grondslag en wordt eveneens afgewezen.