Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10 april 2015
ECLI:NL:RBAMS:2015:2146
werkneemster/Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Werkneemster is als verzekeringsarts in dienst van het UWV. Op 29 maart 2011 is zij als gevolg van arbeidsongeschiktheid volledig uitgevallen. Vanaf maart 2012 is zij gaan re-integreren. In februari 2013 heeft UWV een loonsanctie opgelegd gekregen wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. In augustus 2014 heeft werkneemster aangegeven niet met een aantal collega’s te willen samenwerken. Hoewel het UWV werkneemster arbeid heeft aangeboden, heeft zij het werk tot heden niet hervat. Werkneemster vordert als voorziening veroordeling van UWV om haar toe te laten tot haar werkzaamheden als verzekeringsarts voor 14 uur per week op locatie X. Daarnaast mogen bepaalde mensen niet op de afdeling komen, totdat werkneemster hen weer vertrouwt. Werkneemster stelt dat zij lijdt aan een bipolaire stoornis en dat zij niet kan werken met een aantal collega’s die haar een manie hebben ingejaagd, totdat zij die angsten heeft weggetraind.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Vooropgesteld wordt dat het niet aan werkneemster is voorwaarden aan haar re-integratie te stellen of zelf te bepalen op welke wijze haar re-integratie vorm krijgt, daar waar deze voorwaarden c.q. haar wensen te dien aanzien niet door de FML worden ondersteund. Overwogen wordt vervolgens dat noch uit de FML, noch uit de overige ingebrachte stukken volgt dat werkneemster met de door haar genoemde personen niet zou kunnen of hoeven samen te werken en/of van haar niet gevergd kan worden haar werkzaamheden op locatie X uit te voeren. Dat wordt ook niet door de bedrijfsarts of de verzekeringsarts ondersteund. De verklaring van haar psychotherapeut wijst evenmin in die richting. Met UWV wordt verder geoordeeld dat van werkneemster gevraagd kan worden dat zij over de negatieve en beschadigende uitlatingen over haar collega’s een gesprek voert. Onvoldoende blijkt dat dat zij daartoe niet in staat is en voor de samenwerking van werkneemster met haar collega’s – en daarmee het slagen van de re-integratie – lijkt dat zonder meer van belang. Bovendien is het in het belang van de collega’s van werkneemster, welk belang voor het UWV ook telt. Hoewel de kantonrechter ervan overtuigd is dat werkneemster haar werkzaamheden zeer graag wil hervatten en zij een barrière moet overwinnen om feitelijk weer aan de slag te gaan, wordt geoordeeld dat het UWV werkneemster reeds zeer ver tegemoet is gekomen rondom de re-integratie. Een aanpassing van haar organisatie naar de wensen van werkneemster kan van het UWV niet gevergd worden. Volgt afwijzing van de vorderingen.