Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 24 maart 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:629
werknemer/Stichting Woonkracht 10
Werknemer is op 1 mei 1999 bij (de rechtsvoorganger van) Woonkracht, een woningcorporatie, in dienst getreden. Laatstelijk was hij daar werkzaam in de functie van woonmakelaar. De arbeidsovereenkomst is zonder vergoeding ontbonden per 17 april 2014. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in hoger beroep, stellende dat sprake is van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel (hoor en wederhoor). In dat verband stelt werknemer (onder meer) dat er sprake is van schending van het beginsel van gelijke proceskansen, in die zin dat niet gezegd kan worden dat partijen gelijkelijk de mogelijkheid hebben gehad hun standpunten aannemelijk te maken. Volgens werknemer heeft de kantonrechter hem (ten onrechte) de mogelijkheid onthouden zijn standpunt/verweer door het horen van getuigen aannemelijk te maken, dit ondanks het feit dat hij (ook) ter zitting van de kantonrechter (bij herhaling) verzocht heeft tot bewijslevering te worden toegelaten. Ter adstructie van zijn stelling voert werknemer in het bijzonder aan dat door Woonkracht (naar aanleiding van geconstateerde onregelmatigheden) het recherchebureau Hoffmann (hierna: Hoffmann) is ingeschakeld en dat de kantonrechter – oordelende dat van een verstoorde arbeidsrelatie sprake was omdat werknemer het in hem door Woonkracht gestelde vertrouwen had beschaamd – bij haar oordeel en de daarop gebaseerde beslissing van de juistheid van de bevindingen van dat recherchebureau is uitgegaan, zonder dat hij de gelegenheid gekregen heeft de bevindingen van het onderzoeksbureau door middel van het horen van getuigen te ontzenuwen. Daarmee heeft de kantonrechter, aldus werknemer, ook het beginsel van hoor en wederhoor geschonden.
Het hof oordeelt als volgt. Het moge verder zo zijn dat het bewijsrecht ook op verzoekschriftprocedures van toepassing is, maar een en ander lijdt uitzondering ten aanzien van verzoekschriften ex artikel 7:685 BW, gelet op het bijzondere karakter daarvan dat gericht is op een eenvoudige en snelle afdoening. Het ingaan op het bewijsaanbod van werknemer tot het horen van de door hem voorgestelde tien getuigen (en eventueel nog getuigen in de contra-enquête) zou aan genoemd karakter afbreuk doen. Daargelaten dat het op ontoereikende gronden passeren van een bewijsaanbod nog geen schending van een fundamenteel rechtsbeginsel oplevert, is het hof van oordeel dat de kantonrechter onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid het bewijsaanbod kon passeren. De kantonrechter heeft dus, door het niet horen van getuigen aan de kant van werknemer, niet gehandeld in strijd met het in artikel 6 EVRM genoemde beginsel van ‘equality of arms’. Van schending van de regelen van het bewijsrecht is om redenen als hiervoor weergegeven, geen sprake.