Naar boven ↑

Rechtspraak

Franzen, Giesen, Van den Berg/raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank
Hof van Justitie van de Europese Unie, 23 april 2015
ECLI:EU:C:2015:261

Franzen, Giesen, Van den Berg/raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank

Oproepkrachten zijn onderworpen aan het socialezekerheidsstelsel van het werkland (ook bij geringe omvang oproepcontract en ook gedurende de periodes dat geen oproep plaatsvindt). Artikel 13 Verordening 1408/71 staat er niet aan in de weg een leemte middels een beroep op de hardheidsclausule op te vullen.

Franzen, Giesen en Van den Berg hebben alle drie gedurende een bepaalde periode als oproepkracht werkzaamheden verricht in Duitsland. Omdat de werkzaamheden van geringe omvang waren, waren zij niet verzekerd in de zin van de Duitse wetgeving. Deze periodes zijn door de SVB in mindering gebracht op de AOW en/of kinderbijslag-uitkering.

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Het beginsel dat de socialezekerheidswetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is, vindt in het bijzonder uitdrukking in artikel 13 lid 1 van Verordening 1408/71, dat bepaalt dat degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat zijn onderworpen (zie arresten Ten Holder, C-302/84, ECLI:EU:C:1986:242, punt 20; Luijten, C-60/85, ECLI:EU:C:1986:307, punt 13, en Bosmann, C‑352/06, ECLI:EU:C:2008:290, punt 16). Krachtens artikel 13 lid 2 onder a van Verordening 1408/71 is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont. De aanwijzing, krachtens deze bepaling, van de wetgeving van een lidstaat als de op een werknemer toepasselijke wetgeving brengt mee dat alleen de wetgeving van die lidstaat op hem van toepassing is (zie arresten Ten Holder, C-302/84, ECLI:EU:C:1986:242, punt 23, en Bosmann, C‑352/06, ECLI:EU:C:2008:290, punt 17). In het arrest Kits van Heijningen (C‑2/89, ECLI:EU:C:1990:183, punt 10), dat betrekking had op deeltijdwerk van twee dagen per week, telkens voor twee uur, heeft het Hof vastgesteld dat noch artikel 1 onder a, noch artikel 2 lid 1 van Verordening 1408/71 enig element bevat op grond waarvan bepaalde categorieën van personen van de werkingssfeer van deze verordening kunnen worden uitgesloten wegens de hoeveelheid tijd die zij aan de uitoefening van hun werkzaamheden besteden. Bijgevolg moet worden aangenomen dat iemand die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 onder a, juncto artikel 2 lid 1 van die verordening, binnen de werkingssfeer ervan valt. Met zijn eerste vraag, onder a, wenst de verwijzende rechter te vernemen of de uit het arrest Kits van Heijningen (C‑2/89, ECLI:EU:C:1990:183) voortgekomen rechtspraak van toepassing is op een situatie zoals die van de echtgenote van Giesen, die slechts twee of drie dagen per maand in Duitsland werkte. Met betrekking tot de situaties van Franzen en van Van den Berg neemt die rechter als vaststaand aan dat hun werkzaamheden in Duitsland werkzaamheden in loondienst vormen en dat de Bondsrepubliek Duitsland in de litigieuze periode die deze twee betrokkenen betreft, de bevoegde lidstaat was. Daar uit de in punt 44 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak blijkt dat de hoeveelheid tijd die aan de uitoefening van werkzaamheden in loondienst wordt besteed, niet relevant is bij de bepaling of Verordening 1408/71 op de betrokkene van toepassing is, dient te worden geoordeeld dat een persoon die twee of drie dagen per maand werkt en voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 onder a, juncto artikel 2 lid 1 van Verordening 1408/71, te weten dat op hem als werknemer de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is en dat hij onderdaan van een der lidstaten is, binnen de werkingssfeer van deze verordening valt. Krachtens artikel 13 lid 2 onder a van die verordening is op die persoon de wetgeving van toepassing van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij zijn werkzaamheden in loondienst uitoefent. De verwijzende rechter vraagt bovendien of krachtens dat artikel 13 lid 2 onder a de wetgeving van de werkstaat – naast de dagen waarop de werkzaamheden in loondienst worden verricht – ook van toepassing is gedurende de dagen waarop die werkzaamheden niet worden verricht. Ook het antwoord op deze vraag vloeit voort uit het arrest Kits van Heijningen (C‑2/89, ECLI:EU:C:1990:183). In punt 14 van dat arrest heeft het Hof immers vastgesteld dat artikel 13 lid 2 onder a van Verordening 1408/71 geen enkel onderscheid maakt naargelang de werkzaamheden in loondienst voor de volle werktijd dan wel voor een gedeelte daarvan worden uitgeoefend. Bovendien zou deze bepaling haar doel missen, indien moest worden aangenomen dat de wettelijke regeling van bedoelde lidstaat slechts van toepassing is in de tijdvakken waarin de werkzaamheden in loondienst worden uitgeoefend, met uitsluiting van de tijdvakken waarin de betrokkene zijn werkzaamheden niet uitoefent. Zoals de SVB op goede gronden betoogt, kan de periode waarin de werkzaamheden in het kader van oproeparbeid niet worden verricht, immers niet worden aangemerkt als het tijdelijk stopzetten van de werkzaamheden. In dit verband blijkt uit de aan het Hof overgelegde stukken dat de arbeidsverhouding tussen de echtgenote van Giesen en haar werkgever, zonder onderbreking, vijf jaar heeft geduurd. Derhalve was zij ingevolge artikel 13 lid 2 onder a van Verordening 1408/71 gedurende die periode onderworpen aan de wetgeving van de werkstaat, in casu de Duitse wetgeving. Bijgevolg dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 13 lid 2 onder a van Verordening 1408/71 in die zin moet worden uitgelegd dat de ingezetene van een lidstaat die binnen de werkingssfeer van deze verordening valt en enkele dagen per maand op het grondgebied van een andere lidstaat werkt op basis van een oproepcontract, zowel gedurende de dagen waarop hij werkzaamheden in loondienst verricht als gedurende de dagen waarop hij dat niet doet, is onderworpen aan de wetgeving van de werkstaat.

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13 lid 2 onder a van Verordening 1408/71 juncto lid 1 van dit artikel, in die zin moet worden uitgelegd dat het zich in omstandigheden als die van de hoofdgedingen ertegen verzet dat een migrerende werknemer, op wie de wetgeving van de werkstaat van toepassing is, krachtens de wettelijke regeling van de woonstaat uitkeringen van het ouderdomspensioenstelsel of kinderbijslag ontvangt in de woonstaat. Deze vraag ziet op de bijzondere omstandigheden van de hoofdgedingen, waarin de toepassing van de wetgeving van de werkstaat niet heeft geleid tot aansluiting van de betrokkenen bij het socialezekerheidsstelsel van die staat voor de kinderbijslag en het ouderdomspensioen. Hoewel de wetgeving van de woonstaat die in de hoofdgedingen aan de orde is, krachtens de uitsluitingsclausule van artikel 6a onder b van de AKW en van de AOW uitsluit dat een migrerende werknemer, zoals de belanghebbenden in de hoofdgedingen, is aangesloten bij het ouderdomspensioenstelsel van die staat, zet de verwijzende rechter uiteen dat indien het antwoord op de tweede vraag ontkennend luidt, hij deze uitsluitingsclausule buiten toepassing dient te laten en de in het BUB 1989 en het BUB 1999 vervatte hardheidsclausule moet toepassen teneinde tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die uit de verzekeringsplicht of de uitsluiting daarvan kunnen voortvloeien. In die context rijst de vraag of artikel 13 van Verordening 1408/71 zich verzet tegen toekenning van dergelijke prestaties in de woonstaat. Vastgesteld moet worden, naar analogie met het arrest Bosmann (C‑352/06, ECLI:EU:C:2008:290), dat artikel 13 lid 2 onder a van Verordening 1408/71, gelezen in het licht van artikel 13 lid 1 van deze verordening, zich in omstandigheden als die van de hoofdgedingen er niet tegen verzet dat een migrerende werknemer op wie de socialeverzekeringswetgeving van de werkstaat van toepassing is, die voldoet aan de materiële voorwaarden voor toekenning van dergelijke prestaties ingevolge de wettelijke regeling van zijn woonstaat en wiens situatie niet leidt tot cumulatie van prestaties van dezelfde aard voor dezelfde periode, gezinsbijslagen of ouderdomsuitkeringen ontvangt in laatstbedoelde lidstaat.