Naar boven ↑

Rechtspraak

Biomet Europe B.V. c.s./gemeenschappelijke ondernemingsraad van de Biomet-onderdelen
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 15 april 2015
ECLI:NL:RBROT:2015:2988

Biomet Europe B.V. c.s./gemeenschappelijke ondernemingsraad van de Biomet-onderdelen

OR weigert in te stemmen met compensatieregeling vanwege wijziging pensioenregeling, omdat er onderscheid wordt gemaakt tussen twee groepen werknemers. Kantonrechter verleent geen vervangende toestemming.

Biomet is een onderdeel van Biomet Inc. Zij is actief op het gebied van medische en orthopedische producten. Vanaf februari 2014 heeft Biomet met de OR overleg gevoerd over een wijziging van de pensioenregeling op basis van budgetneutraliteit. Op 3 juli 2014 heeft Biomet een deelinstemmingsaanvraag gedaan bij de OR, gebaseerd op een pensioenopbouw op basis van de netto beschikbare premiestaffel met 3% rekenrente. In de geldende regeling wordt een bruto beschikbare premiestaffel met 4% rekenrente gehanteerd. Op 11 juli 2014 heeft de OR de instemming onder een aantal voorwaarden verleend. Op 5 november 2014 heeft Biomet een voorwaardelijk instemmingsverzoek aan de OR gericht dat uit twee onderdelen bestond: (a) de voorgenomen wijzigingen in de pensioenregeling per 1 januari 2015, en (b) de voorgenomen compensatieregeling ten aanzien van de gewijzigde pensioenregeling per 1 januari 2015. De OR gaf daarbij aan akkoord te zijn met de pensioenregeling maar dat er zijns inziens in de voorgestelde compensatieregeling inbreuk werd gemaakt op het ‘gelijke monniken- gelijke kappen’-principe. Hierna heeft Biomet op 21 november 2014 een definitief instemmingsverzoek gedaan op grond van haar eerdere voorstel. Op 28 november 2014 heeft de OR instemming onthouden aan het voorstel. Biomet verzoekt in de onderhavige procedure om vervangende toestemming.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Anders dan Biomet stelt, komt de OR wel gelijk instemmingsrecht toe ten aanzien van de compensatieregeling. Vast staat dat de compensatieregeling in elk geval nauw samenhangt met de voorgestelde pensioenregeling. Bovendien heeft Biomet ervoor gekozen de compensatieregeling onderdeel te laten zijn van het instemmingsverzoek, zodat Biomet zich niet in de onderhavige procedure op het standpunt kan stellen dat de OR geen instemmingsrecht ten aanzien van de compensatieregeling toekomt. Vast staat dat de OR in een eerder stadium, op 11 juli 2014, de 4%-regeling niet expliciet heeft genoemd, maar slechts beginselinstemming uitsprak met de voorgestelde 3%-regeling, maar wel onder een aantal voorwaarden, zoals volledige compensatie en het voorleggen van een instemmingsverzoek voor zowel het pensioenvraagstuk als het compensatievraagstuk. Nu de OR zich op die datum nog niet definitief had uitgesproken en het gaat om een fors aantal nog algemeen geformuleerde slagen om de arm, kan Biomet niet slagen in haar betoog dat de OR door de latere ommezwaai onredelijk heeft gehandeld. Daarbij komt dat Biomet pas na de zomer van 2014 met voorstellen voor een compensatieregeling is gekomen, uitmondend in het voorstel van 5 november 2014. Daarmee was een nieuwe fase in het overleg ingetreden. De stelling van Biomet dat de OR zijn alternatieven niet voldoende heeft onderbouwd of gespecificeerd, wordt verworpen.

De kern van het geschil tussen partijen betreft het onderscheid dat door Biomet is gemaakt in haar voorstellen met betrekking tot de duur van de compensatie voor enerzijds de groep werknemers die meer dan € 100.000 bruto inkomen heeft (compensatie via het brutoloon voor de duur van het dienstverband tot aan het pensioen) en anderzijds de groep werknemers van 45 jaar en ouder onder die inkomensgrens (compensatie voor de duur van vijf jaar). Daarnaast verschillen partijen van mening wat de vergelijkingsbasis zou moeten zijn: het in de nieuwe regeling opgebouwde pensioen op 67-jarige leeftijd dan wel op 65-jarige leeftijd. Voor wat betreft dit laatste punt wordt het volgende overwogen. De verhoging van de pensioenleeftijd tot 67 jaar vloeit voort uit de nieuwe pensioenwetgeving en moet als een gegeven feit worden beschouwd. Biomet heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de 45-plussers op 67-jarige leeftijd ongeveer evenveel pensioen zullen hebben opgebouwd als op 65-jarige leeftijd in de oude regeling (toen men met 65 jaar met pensioen ging). Het is echter onmiskenbaar dat de opbouw tot aan de pensioenleeftijd van 67 jaar wordt gerealiseerd door twee jaar extra werken. Voor een goede vergelijking van de opgebouwde bedragen zal daarom eerder van de opgebouwde bedragen op 65-jarige leeftijd moeten worden uitgegaan. Uit de door Biomet verstrekte gegevens en grafieken komt voldoende duidelijk naar voren dat de opbouw op 65-jarige leeftijd voor 45-plussers in de voorgestelde 3%-staffel minder is dan onder de geldende pensioenregeling. Voor de groep met een bruto inkomen van meer dan € 100.000 is er een terugval in die zin dat men over het meerdere pensioenopbouw mist. Het gemiste wordt door Biomet in brutoloon uitgekeerd voor de duur van het dienstverband. Hoewel uit de overgelegde grafieken wel een behoorlijke achteruitgang voor de genoemde inkomensgroep aannemelijk wordt, is het verschil in aanpak tussen de twee groepen werknemers echter zo groot dat het onthouden van instemming door de OR niet als onredelijk beschouwd kan worden. Met betrekking tot de tijdsdruk wordt overwogen dat deze er ongetwijfeld zal zijn (geweest), maar dat dit gegeven niet zodanig uitzonderlijk is dat dit kwalificeert als een zwaarwegende bedrijfseconomische, bedrijfsorganisatorische of bedrijfssociale redenen. Biomet heeft voor het overige onvoldoende onderbouwd welke zwaarwegende andere bedrijfseconomische, bedrijfsorganisatorische of bedrijfssociale redenen er zouden zijn om de voorgestelde regeling te willen invoeren zonder instemming van de OR. Het verzoek van Biomet wordt afgewezen.