Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 8 april 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:2599
werknemer/Stichting Pensioenfonds DHV
Tussen werknemer en DHV Water B.V. (hierna: DHV) heeft een arbeidsovereenkomst bestaan, welke overeenkomst in onderling overleg is geëindigd per 1 januari 2004. DHV heeft de WW-uitkering van werknemer aangevuld tot 80% van zijn laatstverdiende bruto inkomen tot zijn 62-jarige leeftijd, de leeftijd waarop hij Tijdelijk Ouderdoms Pensioen (TOP) zou ontvangen. De pensioenopbouw van werknemer is tot de ingangsdatum van het TOP per 1 november 2007 voortgezet. DHV heeft dit gedaan op basis van een met werknemer getroffen regeling, die is neergelegd in een brief van DHV aan werknemer van 15 augustus 2003 en waarmee werknemer zich akkoord heeft verklaard. Vanaf 1 november 2010 heeft werknemer recht op een ouderdomspensioen. Op grond van Reglement Bijdrage voortzetting pensioenopbouw bij werkloosheid 1999 (hierna: het Bijdragereglement) van de Stichting Financiering Voortzetting Pensioenverzekering (hierna: Stichting FVP) is werknemer in aanmerking gekomen voor een FVP-bijdrage van € 30.427. De Stichting FVP heeft dit bedrag overgemaakt aan het Pensioenfonds. Het Pensioenfonds heeft het bedrag vervolgens met toepassing van artikel 19 lid 5 van het Uitvoeringsreglement voortzetting pensioenopbouw bij werkloosheid 1999 (hierna: het Uitvoeringsreglement) overgemaakt naar DHV. Kern van het geschil betreft de vraag of het Pensioenfonds gerechtigd was de FVP-bijdrage aan te wenden als subsidie en ter verrekening aan DHV door te betalen. Werknemer stelt van niet.
De kantonrechter oordeelt als volgt. DHV heeft werknemer in de brief van 15 augustus 2003 niet expliciet meegedeeld dat de FVP-bijdrage als subsidie zou worden aangewend en uiteindelijk aan DHV zelf ten goede zou komen. Of DHV hier expliciet mondeling op heeft gewezen, kan in het midden blijven. Het had werknemer op grond van de brief van 15 augustus 2003 namelijk wel redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij bij acceptatie van de door DHV voorgestelde regeling niet minder, maar ook niet meer pensioen zou opbouwen in vergelijking met de situatie waarin hij niet zou worden ontslagen. Niet ter discussie staat dat werknemer dit wist en dat hij geen recht op de FVP-bijdrage had gehad als hij door was blijven werken. In zoverre zou hij inclusief FVP-bijdrage dus ‘meer’ krijgen dan wanneer hij niet zou zijn ontslagen. Daarnaast is in die brief aangegeven dat hij geen aanspraak meer kon maken op een uitkering van een speciaal fonds. Dat werknemer, zoals hij stelt, destijds niet wist dat met deze uitkering de FVP-bijdrage werd bedoeld en dat deze bijdrage verder niet expliciet met hem is besproken, doet hier niet aan af. Gelet hierop is ook voldaan aan strekking van de voorwaarde van artikel 19 lid 5 onder b van het Uitvoeringsreglement dat de werkloze werknemer voldoende is geïnformeerd over de aanwending van de bijdrage als subsidie. Werknemer heeft door middel van zijn brief van augustus 2003 met de door DHV voorgestelde regeling ingestemd. Gesteld noch gebleken is dat nadien andersluidende afspraken zijn gemaakt. Hiermee is ook voldaan aan (de kennelijke strekking van) de voorwaarde van artikel 19 lid 5 onder c van het Uitvoeringsreglement dat de werkloze werknemer toestemming heeft gegeven voor de aanwending van de bijdrage als subsidie, namelijk dat de werkloze werknemer ermee instemt dat de FVP-bijdrage niet aan hem ten goede zal komen. Volgt afwijzing van de vorderingen.