Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 6 mei 2015
ECLI:NL:RBLIM:2015:3671

werkneemster/werkgever

Werkgever beroept zich niet op verjaring vordering werkneemster uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag, zodat werkneemster ontvankelijk is in haar vordering. Ontslag is kennelijk onredelijk, nu in laatste maanden van dienstverband niet in employability is geïnvesteerd.

Werkneemster (42 jaar) is van 1 mei 1989 tot 1 juli 2013 in dienst geweest als verkoopster/administratief medewerkster. Haar arbeidsovereenkomst is wegens bedrijfseconomische redenen opgezegd. Werkneemster stelt dat de opzegging kennelijk onredelijk is. Volgens haar is sprake van een valse/voorgewende reden en zij beroept zich op het gevolgencriterium. Werkneemster stelt dat in werkelijkheid geen sprake was van een bedrijfseconomische noodzaak tot opzegging, maar van de bij werkgever bestaande intentie om de onderneming ‘beter van de hand te doen’ (namelijk met minder werknemers in actieve dienst).

De kantonrechter oordeelt als volgt. Hoewel de thans door werkneemster aangevochten opzegging van haar arbeidsovereenkomst reeds van 26 maart 2013 dateert en de opzegging tegen 1 juli 2013 gedaan is, en hoewel werkgever eerst bij exploot d.d. 5 juni 2014 op de voet van artikel 7:681 BW in rechte aangesproken is, heeft werkgever zich niet beroepen op de in artikel 7:683 BW vervatte termijn. Bijgevolg kunnen geen consequenties verbonden worden aan het ontbreken van concrete aanwijzingen dat werkneemster – na een eenmalige vergeefse poging d.d. 14 augustus 2013 om werkgever tot het doen van een ‘financieel voorstel’ te bewegen – werkgever buiten rechte schriftelijk aangemaand of medegedeeld heeft op de wijze als voorzien in artikel 3:317 BW. Werkneemster is ontvankelijk in haar vorderingen.

De bedrijfseconomische redenen zijn voldoende komen vast te staan. Werkneemster heeft met haar oppositie tegen de keuzes die werkgever maakte en tegen de cijfers die deze inbracht (ook al waren die op ondergeschikte onderdelen aanvechtbaar of twijfelachtig), niet aangetoond dat iedere redelijke noodzaak tot bezuiniging op personele kosten in het algemeen en tot het doen vervallen van haar functie in het bijzonder, ontbrak of dat de motieven van werkgever om haar arbeidsovereenkomst op te zeggen, op los zand gebaseerd waren. Ook haar redenering dat het werkelijke motief gelegen was in de wens van werkgever de onderneming ‘met minder werknemers’ aan twee andere werknemers ‘van de hand te doen’ (omdat dit de prijs zou opvoeren of de overdracht zou versnellen en vergemakkelijken), laat onverlet dat dit nog steeds een door financiële noodzaak ingegeven bedrijfseconomische reden is en dat deze nevenoverweging in de toepassing bij het UWV uitdrukkelijk aan de orde geweest én van bevoegde zijde gesanctioneerd is. Het beroep op de valse of voorgewende reden faalt. Omdat niet is gebleken van werkelijk nijpende omstandigheden waarin werkneemster per 1 juli 2013 is komen te verkeren, en omdat zij ook niet per definitie tot de categorie niet of minder kansrijke werkzoekenden gerekend kan worden, kan voor wat de toepassing van het gevolgencriterium betreft, hoogstens geconstateerd worden dat werkgever als goed werkgever tekortschoot door iedere vorm van gerichte begeleiding van werkneemster naar andere arbeid in de laatste maanden van het dienstverband achterwege te laten. Zeker nu in de voorafgaande periode ook niet aanwijsbaar in de employability van de werkneemster geïnvesteerd was. Dat maakt de opzegging kennelijk onredelijk en werkgever schadeplichtig. Een schadevergoeding ten bedrage van € 3.500 wordt passend geacht, welk bedrag gelijk te stellen is met de redelijk te achten kosten van een professionele training/aanvullende scholing dan wel een vorm van outplacementbegeleiding die haar kan of had kunnen helpen bij de overgang van een min of meer ingesleten arbeidspatroon in de bloemisterij naar een nieuwe werkomgeving van mogelijk geheel andere aard, maar waarvoor haar competenties en ervaring toereikend waren (althans met hulp van die scholing of begeleiding geschikt te maken waren).