Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Y c.s.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 19 maart 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:1553

X/Y c.s.

Arbeidsovereenkomst is schijnconstructie ter verhulling van de werkelijke rechtsverhouding tussen partijen met als doel de raad van toezicht van de Orde van Advocaten te misleiden. Afwijzing loonvordering.

Op 20 december 2010 heeft X een advocatenpraktijk van Y (vertegenwoordigd door A en B) gekocht. Als voorwaarde en in verband met de praktijkovername heeft A zich bereid verklaard om als patroon op te treden voor X gedurende het vervolg van haar stage (vermoedelijk tot 1 januari 2013). Op 25 januari 2011 heeft Y met X een advocaat-stagiaire-arbeidsovereenkomst gesloten. Aan X is geen loon betaalbaar gesteld. Tussen partijen wordt (met terugwerkende kracht) een nieuwe (tweede) koopovereenkomst betreffende de activa van Y gesloten met ingang van 1 januari 2011. De raad van toezicht van de Orde van Advocaten heeft A benaderd met het verzoek om informatie omtrent de salarisgegevens van X. A heeft aangegeven niet te kunnen voldoen aan het verzoek, omdat partijen een (koop)overeenkomst hebben gesloten. Bij brief van 24 november 2011 deelt A aan X mee dat hij het patronaat onmiddellijk wenst te beƫindigen, omdat de relatie verstoord is geraakt doordat X zonder medeweten haar intrek heeft genomen bij het kantoor van C. Bij beslissing van 6 september 2013 heeft het Hof van Discipline de beslissing van de Raad van Discipline van 30 november 2012 bekrachtigd waarbij de maatregel tot schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van een jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk is opgelegd aan A. X vordert voor recht te verklaren dat de eerste koopovereenkomst d.d. 20 december 2010 op grond van een toerekenbare tekortkoming is vernietigd en te verklaren voor recht dat de tweede koopovereenkomst op grond van dwaling is vernietigd. Voorts vordert X loon over de periode van 27 januari 2011 tot 1 december 2011 op grond van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Voor beoordeling van de door partijen over en weer ingediende vorderingen is van belang te beoordelen in welke rechtsverhouding(en) partijen tot elkaar zijn komen te staan. Die rechtsverhouding wordt bepaald door de koopovereenkomst van 20 december 2010. De nadien tussen partijen tot stand gekomen overeenkomsten, waaronder de arbeidsovereenkomst van 27 januari 2011, de koopovereenkomst gedagtekend 29 maart 2011 en aansluitend daarop de niet getekende overgangsovereenkomsten zijn tot stand gekomen dan wel zijn opgemaakt ter verhulling van de werkelijke rechtsverhouding tussen partijen met als doel de raad van toezicht van de Orde van Advocaten te misleiden eerst om akkoord te gaan met de stage van X en het daaraan gekoppelde patronaat van A en later met als doel de schade te beperken en alsnog de stage van X veilig te stellen. Het gevolg is dat beide partijen in weerwil van hun stellingen aan die overeenkomsten geen rechten kunnen ontlenen. Partijen hebben een schijnconstructie in het leven geroepen om de werkelijke rechtsverhouding tussen partijen te verhullen. Partijen hebben derhalve ieder afzonderlijk en gezamenlijk in strijd met de goede zeden gehandeld. De stellingen van partijen laten ook thans nog zien dat enig inzicht omtrent het onjuist handelen ontbreekt. De vorderingen van X worden afgewezen. Tussen partijen is een rechtsgeldige koopovereenkomst gesloten op 20 december 2010. Van een ontslag op staande voet kan geen sprake zijn. Er is immers geen sprake geweest van een arbeidsrelatie. De door X van A gevorderde terugbetaling van de koopprijs en opleidingskosten wordt afgewezen. Door willens en wetens medewerking te verlenen aan een schijnconstructie van een (feitelijk niet bestaande) arbeidsrelatie, waardoor de raad van toezicht is bewogen toestemming te geven van voortzetting van de stage onder patronaat van A en door medewerking te verlenen aan een aangepaste schijnconstructie bij koopovereenkomst gedagtekend 29 maart 2011 ter veiligstelling van die stage heeft X zozeer in strijd gehandeld met wat rechtens betamelijk is, dat zij het einde van haar opleiding en het einde van het patronaat van A over zichzelf heeft afgeroepen. Zij heeft zelf het risico voor lief genomen dat de door haar en A bedachte constructie weleens uit zou kunnen komen met alle gevolgen van dien, die zich ook thans hebben voorgedaan.