Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/F.H. Louers B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 22 mei 2015
ECLI:NL:RBROT:2015:3572

werkneemster/F.H. Louers B.V.

Ontslag 59-jarige administratief medewerkster na dienstverband 34 jaar, zonder dat een vergoeding wordt toegekend, is kennelijk onredelijk. Schadevergoeding € 10.000.

Werkneemster is op 1 januari 1978 in dienst getreden bij Louers als administratief medewerkster. Louers houdt zich bezig met de verkoop van verf, behang en aanverwante producten aan schildersbedrijven, instellingen en afbouwbedrijven. Louers heeft op 31 augustus 2011 een ontslagvergunning voor werkneemster aangevraagd op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. Op 10 januari 2012 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Het UWV heeft de gevraagde toestemming geweigerd, omdat Louers zich onvoldoende heeft ingespannen om werkneemster te herplaatsen. Nadat opnieuw om toestemming voor opzegging is verzocht, is de ontslagvergunning op 30 januari 2013 wel verstrekt. Louers heeft de arbeidsovereenkomst tegen 1 mei 2013 opgezegd. Werkneemster stelt dat de opzegging kennelijk onredelijk is. Zij stelt dat Louers zich onvoldoende heeft ingespannen om haar te herplaatsen, dat er niet voor bijscholing is gezorgd en zij twijfelt aan de bedrijfseconomische noodzaak tot reorganisatie.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster heeft onvoldoende gemotiveerd het bedrijfseconomisch belang betwist van Louers bij het opzeggen van de arbeidsovereenkomst. Weliswaar zijn door werkneemster vraagtekens geplaatst bij de door Louers over die jaren gedane investeringen c.q. genomen beslissingen, maar Louers heeft een afdoende verklaring gegeven. Het bedrijfseconomisch belang van Louers weegt echter niet op tegen de ernstige gevolgen die de opzegging voor werkneemster heeft. Vast staat dat zij ten tijde van de opzegging 59 jaar oud was, eenzijdig geschoold en al 34 jaar werkzaam was bij Louers. Voorts staat vast dat zij altijd goed heeft gefunctioneerd en dat Louers haar geen enkele vergoeding heeft aangeboden in welke vorm dan ook. Louers heeft niet weersproken dat haar (administratieve) systemen verouderd waren en dat werkneemster niet dan wel onvoldoende mogelijkheden zijn geboden om haar kennis en kunde te ‘updaten’. Louers heeft weliswaar een outplacementtraject aangeboden maar kennelijk heeft werkneemster doelstellingen en werkwijze van een dergelijk traject niet goed begrepen. Enerzijds had dat wel van haar verwacht mogen worden maar anderzijds had het op de weg van Louers gelegen om haar voorafgaande aan het aanbieden van dit traject – rekening houdende met haar onervarenheid op dat gebied – duidelijk te maken dat outplacement 2e spoor niet betekent dat Louers zelf zorgdraagt voor een andere baan. Daar komt bij dat het outplacementtraject pas in september 2012 in gang is gezet terwijl Louers in juni ermee bekend was dat werkneemster in staat was om (elders passend) werk te verrichten. Van Louers als werkgever had in dit geval meer voortvarendheid verwacht mogen worden. Geoordeeld wordt dat het ontslag kennelijk onredelijk is.

Werkneemster vordert € 44.548,78 bruto aan schadevergoeding. Dit bedrag is het verschil in inkomsten tussen een uitkering en het loon dat zij zou hebben ontvangen tot aan haar pensionering, rekening houdend met de kans op het vinden van een andere baan. Daargelaten dat werkneemster volledige vergoeding vordert van haar inkomensschade, de aard en ernst van de tekortkoming van Louers is niet zodanig, dat toewijzing van de vordering op die grond gerechtvaardigd is. Nu werkneemster onvoldoende aanknopingspunten biedt om haar schade, gelet op de aard en ernst van de tekortkoming van Louers, concreet te begroten zal de schade naar billijkheid worden begroot. Daarbij wordt rekening gehouden met het volgende. Hoewel de arbeidsmarktpositie van werkneemster niet gunstig is, heeft zij van haar kant niet inzichtelijk gemaakt dat laat staan welke inspanningen zij heeft verricht om een nieuwe baan te vinden. Aan de kant van Louers geldt dat zij weliswaar het habe nichts habe wenig-verweer voert, maar dat laat onverlet dat uit de stuken blijkt dat haar financiële situatie verbetert. Evenmin is waarschijnlijk dat toewijzing van enig bedrag zou leiden tot een financiële noodsituatie. Een schadevergoeding van € 10.000 bruto wordt billijk geacht.