Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Y
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 13 mei 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:3461

X/Y

Oproepkracht die sieraden maakt, is werkzaam op basis van arbeidsovereenkomst. Gezagsverhouding is aanwezig. Werkneemster ontvangt stukloon, waarmee het mogelijk is het minimumloon te verdienen bij voldoende productie. Rechtsvermoedens artikel 7:610a BW en 7:610b BW.

X is met Y een overeenkomst aangegaan met als titel ‘Arbeidsovereenkomst oproepkracht met uitgestelde prestatieplicht’. Y drijft een eenmanszaak, die zich richt op de verkoop van handgemaakte sieraden. In de overeenkomst is bepaald dat de oproepkracht zich bereid verklaart op afroep van de werkgever werkzaamheden te verrichten. De oproepkracht is niet verplicht aan iedere oproep gehoor te geven. De werkgever is niet verplicht de oproepkracht op te roepen. De arbeidsduur bedraagt minimaal 8 uur per maand. De beloning geldt op basis van stuksprijs en is inclusief vakantietoeslagen en vakantie-uren. X heeft bij brief van 17 oktober 2013 aan Y meegedeeld dat aan haar te weinig uren zijn uitbetaald, dat zij onder het minimumloon is uitbetaald en dat zij – ondanks het feit dat zij zich bereid heeft verklaard haar werkzaamheden voort te zetten – vanaf 26 september 2013 niet meer is opgeroepen door Y en geen werkzaamheden meer heeft verricht. X vordert betaling van het achterstallige loon en loondoorbetaling tot 29 november 2013 (datum einde overeenkomst). X legt aan haar vorderingen ten grondslag dat sprake is van een arbeidsovereenkomst.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Y stelt dat er tussen partijen niet is voldaan aan het element ‘gezagsverhouding’. Y stelt dat haar atelier, waar de sieraden gemaakt worden, vooral met een maatschappelijk doel is opgezet, te weten voor oudere mensen die op zoek zijn naar sociale contacten, maar (om veelal medische redenen) niet in aanmerking komen voor een reguliere baan. Nu de mensen vrij zijn om te komen en te gaan, is er volgens Y van een gezagsverhouding geen sprake. Uit de conclusies van beide partijen blijkt dat Y de bevoegdheid heeft X bij de uitvoering van het werk instructies of aanwijzingen te geven. X heeft bij de uitvoering van het werk geen grote eigen verantwoordelijkheid. De sieraden dienden te worden gemaakt op de door Y aangegeven wijze. Uit de aard van de werkzaamheden vloeit daarom voort dat X aan de zeggenschap van Y onderworpen is en er van een gezagsverhouding sprake is. De omstandigheid dat X volgens de arbeidsovereenkomst vrij is om te komen en te gaan maakt het voorgaande niet anders, aangezien de feitelijke situatie leidend is. Ook wordt het aantal gewerkte uren meegewogen en het gegeven dat X Y op de hoogte hield van ziekte of andere omstandigheden waardoor zij geen werk kon verrichten. Ook aan de andere elementen van artikel 7:610 BW is voldaan, zodat wordt geoordeeld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Bovendien is voldaan aan artikel 7:610a BW nu X gedurende drie opeenvolgende maanden wekelijks arbeid heeft verricht.

In de arbeidsovereenkomst tussen partijen is opgenomen dat X per stuk beloond wordt. In artikel 12 lid 4 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: WML) is bepaald dat voor zover het loon niet naar tijdruimte is vastgesteld, maar afhankelijk is van de uitkomsten van de verrichte arbeid, voor de WML als arbeidsduur wordt aangemerkt de tijd die redelijkerwijs met de uitvoering van de verrichte arbeid is gemoeid. Deze bepaling heeft ten doel de werknemers die naar stukloon worden betaald een minimum(uur)loon te garanderen (zie ook Kamerstukken II 1995/96, 24667, 3 p. 9 en 10). In de arbeidsovereenkomst tussen partijen is verder opgenomen dat de vergoedingen per stuk bij de oproepkracht bekend zijn. X heeft de door Y gestelde beloning per sieraad niet betwist. X heeft evenmin betwist hoeveel van die sieraden er ongeveer per uur kunnen worden gemaakt. X heeft enkel gesteld dat Y de productienormen niet bekend heeft gemaakt en niet aan haar heeft meegedeeld dat zij de norm niet haalde. De kantonrechter is van oordeel dat Y niet kan worden tegengeworpen dat zij niet voor X de berekening heeft uitgewerkt hoeveel sieraden zij gemiddeld per uur moet maken om een minimumloon te bereiken. Een dergelijke rekensom is afhankelijk van de mix van de sieraden die gemaakt worden en kan door X zelf uitgevoerd worden. Evenmin behoefde Y aan X te melden dat zij met haar productie niet het minimumuurloon behaalde. X had zelf kunnen berekenen hoeveel sieraden zij per uur diende te maken om een minimumloon te bereiken. Nu X stukloon ontving kan daaruit slechts de conclusie worden getrokken dat zij onvoldoende produceerde om een uurloon gelijk aan het minimumuurloon te bereiken. X heeft echter niet, althans onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij onmogelijk een minimumuurloon kon bereiken met de door Y gehanteerde productienorm. De vordering tot uitbetaling tot de hoogte van het minimumuurloon over de uren dat X tot 26 september 2013 werkzaam is geweest, wordt afgewezen. Op 26 september 2013 heeft tussen partijen een gesprek plaatsgevonden. X stelt dat zij in dat gesprek heeft verzocht om betaling van het minimumloon en dat Y daarop heeft meegedeeld dat zij niet meer terug hoefde te komen en daarmee de oproepovereenkomst is beëindigd. Nu Y de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd (er was geen tussentijds opzegbeding overeengekomen), wordt de loonvordering over de periode 26 september 2013 tot 29 november 2013 toegewezen. Artikel 7:610b BW is bedoeld voor situaties waarin onduidelijk is wat de afgesproken arbeidsduur is of indien er structureel meer gewerkt wordt dan het afgesproken aantal uren. Dit artikel kan ook op de onderhavige situatie toegepast worden. Nu er tussen partijen echter stukloon is afgesproken, zal niet worden gekeken naar het gewerkte aantal uren, maar naar het bedrag dat X gemiddeld per maand ontving. De kantonrechter ziet – in verband met de vakantieperiode in de zomermaanden – aanleiding om als referteperiode de maanden februari, maart en april 2013 te nemen. Dit komt neer op een bedrag van circa € 140 bruto per maand. Dit bedrag zal per maand worden toegewezen over de resterende periode van de arbeidsovereenkomst vanaf 26 september 2015, te weten circa twee maanden. Er wordt derhalve het netto-equivalent van € 280 bruto aan loon over de resterende duur van de arbeidsovereenkomst toegewezen. Nu er tussen partijen een all-inloon is overeengekomen, zal er geen aparte afrekening voor vakantiedagen plaatsvinden.