Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16 juni 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:2309
X Slaapkomfort BV/werknemer
Werknemer is op 3 november 1986 in dienst getreden bij (zijn zwager) X, om hem behulpzaam te zijn in de door laatstgenoemde in 1984 gestarte beddenspeciaalzaak. Na een mislukte poging de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen, heeft X met toestemming van het UWV de arbeidsovereenkomst opgezegd. Werknemer stelt zich op het standpunt dat sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag na 26 jaar dienstverband en op 53-jarige leeftijd kennelijk onredelijk is, vanwege het gevolgencriterium. De schade bestaat uit het verschil tussen het laatstgenoten bruto salaris (€ 2.848 (incl. vakantiegeld)) en de WW-uitkering die werknemer over de te verwachten periode van werkloosheid zal ontvangen. Na afweging van goede en kwade kansen is uitgegaan van een verwachte werkloosheidsduur van twee jaar. Dit leverde een schadevergoeding op van € 18.720 bruto. Tegen dit oordeel keert werkgever zich in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Anders dan werkgever meent, heeft de kantonrechter niet onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat werknemer deels is vrijgesteld van werkzaamheden. Deze periode was echter gedurende de ontslagaanvraag en heeft beperkt effect gehad op werknemer. Het hof verenigt zich met de inschatting van de kantonrechter dat ten tijde van het ontslag rekening moest worden gehouden met een te verwachten werkloosheidsduur van omstreeks twee jaar. Bij de begroting van de schadevergoeding dient niet alleen het brutoloon, maar ook het 'zwart loon' betrokken te worden. Dit leidt aldus tot een schadebedrag van, afgerond, € 25.000. Het hof verwerpt hiermee de door werknemer bepleite stellingen dat de kantonrechtersformule resp. de transitievergoeding naar komend recht tot uitgangspunt zou moeten worden genomen. Ook het hof acht onvoldoende aannemelijk geworden dat de financiële situatie van werkgever aan betaling van het genoemde bedrag in de weg staat. In het bijzonder is niet aannemelijk geworden dat zij niet op een voor haar niet bezwaarlijke wijze kan beschikken over financieringsbronnen buiten de onderneming. Gelet op de overigens door de kantonrechter gehanteerde uitgangspunten - in het bijzonder het zeer lange dienstverband van werkgever, diens leeftijd ten tijde van het ontslag en diens functioneren, waaraan het hof toevoegt dat alleszins aannemelijk is geworden dat werkgever een uiterst toegewijde en loyale werknemer is geweest - is het hof van oordeel dat van werkgever gevergd kan worden dat zij die financieringsbronnen zo nodig aanspreekt.