Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 27 mei 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:4505
werkneemster/A c.s.
(Vervolg tussenvonnis.) Centrale vraag is of het ontslag van werkneemster kennelijk onredelijk is. Bij tussenvonnis van 16 april 2014 heeft de kantonrechter A toegelaten tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat mevrouw D (voor het ontslag van werkneemster) in hoofdzaak administratieve en planningswerkzaamheden verrichtte. A heeft daartoe een akte genomen en getuigen doen horen. In de akte heeft A eerstens als nieuwe stelling aangevoerd dat het afspiegelingsbeginsel helemaal niet van toepassing is, omdat mevrouw D de vrouw van de directeur van A is. Nu in dat geval geen sprake is van een gezagsverhouding, kan volgens A ook geen aanleiding bestaan om het afspiegelingsbeginsel toe te passen. De kantonrechter overweegt daaromtrent dat het afspiegelingsbeginsel, zoals ook het UWV dat gewoon is te hanteren (gelet op art. 4:2 van het ontslagbesluit), van toepassing is op werknemers. Dat werknemersbegrip is ruimer dan uitsluitend de werknemer die op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 BW arbeid verricht. Het werknemersbegrip omvat op basis van artikel 1 BBA ook degene die op basis van een andersoortige overeenkomst persoonlijke arbeid verricht voor een ander. Aangezien mevrouw D wel persoonlijke arbeid verricht voor A, zij die arbeid niet voor meer dan twee anderen verricht, zich daarbij niet door twee andere personen (buiten haar echtgenoot) laat bijstaan en deze arbeid voor haar niet slechts een bijkomstige werkzaamheid is, is zij een werkneemster van A waarop het afspiegelingsbeginsel van toepassing is.
De kantonrechter is van oordeel dat A er door het overleggen van overzichten en plannerslijsten in geslaagd is tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat mevrouw D (voor het ontslag van werkneemster) in hoofdzaak administratieve en planningswerkzaamheden verrichtte. Van een valse reden of voorgewende reden voor ontslag is derhalve geen sprake. Wel wordt geoordeeld dat het ontslag kennelijk onredelijk is op grond van het gevolgencriterium. A wordt de op non-actiefstelling en het ontbreken van inspanningen om werkneemster van werk naar werk te begeleiden verweten. Voor de op non-actiefstelling wordt een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toegekend en voor het ontbreken van begeleiding naar ander werk een bedrag van € 6.000. Hierbij heeft de kantonrechter aansluiting gezocht bij de kosten die gemiddeld genomen voor een outplacementtraject worden gemaakt.