Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Apeldoorn), 16 juli 2015
ECLI:NL:RBGEL:2015:4668
werkgeefster/werknemer
Werknemer is in dienst van werkgeefster, laatstelijk in de functie van exploitant/stationsmanager. Op 20 mei 2015 is hij op staande voet ontslagen, omdat hij krasloten heeft opengekrast zonder deze op de kassa aan te slaan en zonder deze te betalen, waarbij hij het prijzengeld aan zichzelf heeft uitgekeerd. Bij brief van 29 mei 2015 heeft de gemachtigde van werknemer de vernietigbaarheid van het ontslag ingeroepen. Werkgeefster verzoekt voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair wegens een dringende reden.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding is ingekomen ter griffie van de Rechtbank Gelderland op 7 juli 2015, aldus na inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid (WWZ) op 1 juli 2015. Volgens werkgeefster dient het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding op de voet van artikel XXII lid 1 aanhef en onderdeel b en c van het bijbehorende Overgangsrecht naar oud recht te worden behandeld. Artikel XXII lid 1 aanhef en onderdeel b en c van het Overgangsrecht behorende bij de WWZ bepaalt dat het BBA, alsmede artikel 665 en afdeling 9 van Boek 7, titel 10 BW, zoals deze luidden de dag vóór 1 juli 2015 van toepassing blijven op een opzegging van de arbeidsovereenkomst gedaan vóór dat tijdstip en op de gedingen die daarop betrekking hebben, alsmede op een geding dat is aangevangen vóór dat tijdstip. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis (33818, 3, p. 126-127) wordt geoordeeld dat een (voorwaardelijke) ontbindingsprocedure niet kan worden aangemerkt als een geding dat betrekking heeft op de opzegging, nu een dergelijke procedure naar haar aard ziet op een andere manier van beëindiging van de arbeidsovereenkomst en in zoverre geen betrekking heeft op de opzegging wegens een dringende reden, zoals in het onderhavige geval. Daaraan doet niet af dat in dit geval aan het voorwaardelijke ontbindingsverzoek hetzelfde feitencomplex ten grondslag is gelegd als aan het ontslag op staande voet omdat een ontbindingsprocedure een ander beoordelingskader heeft dan gedingen in het kader van opzegging van de arbeidsovereenkomst. Evenmin valt in te zien dat het voorliggende verzoek tot voorwaardelijke ontbinding op grond van artikel XXII lid 1 aanhef en onderdeel c van het Overgangsrecht naar oud recht beoordeeld dient te worden, nu het ontbindingsverzoek waarmee het geding aanvangt na 1 juli 2015 is ingekomen op de griffie. Het vorenstaande brengt met zich dat het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding beoordeeld dient te worden op de voet van het per 1 juli 2015 geldende recht. Nu het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding in het geheel niet in die zin is onderbouwd en ook niet ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in die zin is aangevuld door werkgeefster, dient het verzoek om die reden te worden afgewezen.