Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 2 juni 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:3908
A-Meubel c.s./werknemer
Werknemer is op 3 oktober 2013 in dienst getreden van A-Meubel op basis van een contract voor een halfjaar in de functie van magazijnmedewerker/meubelbezorger. Op 21 januari 2014 is hij op staande voet ontslagen. Daaraan wordt ten grondslag gelegd dat werknemer een geldbedrag van € 150 van een klant in eigen bezit heeft gehouden, dat hij pinbonnen heeft verduisterd, bedragen heeft doorgekrast en bedragen op orderbonnen zonder toestemming heeft gewijzigd. Werknemer beroept zich op de vernietigbaarheid van het ontslag. Hij betwist de dringende reden. De kantonrechter heeft de loonvordering van werknemer toegewezen en de door A-meubel gevorderde gefixeerde schadevergoeding afgewezen. Tegen dit oordeel keert A-meubel zich in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie fixeert de opgegeven dringende reden de ontslaggrond en bepaalt deze de rechtsstrijd (niet alleen met betrekking tot de feiten, maar ook met betrekking tot de handelwijze van de werknemer). Dit betekent dat het hof dient uit te gaan van de in de brief van 21 januari 2014 aangevoerde redenen voor het ontslag. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis met betrekking tot de tweede, de derde en de vierde ontslagreden in de brief van 21 januari 2014 – kort gezegd – geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat werknemer een pinbon heeft verwijderd en dat hij bedragen heeft aangepast en doorgekrast, nu hij dat gemotiveerd heeft betwist. De grief van A-meubel tegen dit oordeel faalt. Tegenover de gemotiveerde betwisting – ook in hoger beroep – door werknemer dat hij de bedoelde handelingen heeft gepleegd, heeft A-Meubel in hoger beroep slechts haar stellingen herhaald. Zij heeft geen, althans onvoldoende (concrete) feiten of omstandigheden aangevoerd die de voorlopige conclusie kunnen rechtvaardigen dat werknemer zich aan deze gedragingen heeft schuldig gemaakt. Met betrekking tot de eerste ontslaggrond (geldbedrag van € 150 van een klant in eigen bezit houden) wordt voorop gesteld dat A-Meubel deze aan werknemer verweten gedraging als verduistering heeft gekwalificeerd. Vast staat dat werknemer de contante betaling door de klant van het bedrag van € 150 op 20 januari 2014 niet op het dagoverzicht heeft vermeld en evenmin op de orderbon. Deze handelwijze die – ten minste – als een administratieve slordigheid kan worden gekwalificeerd is niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd. Anders dan A-Meubel heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat werknemer voldoende gemotiveerd en onderbouwd heeft gesteld dat het geld op 21 januari 2014 nog in de auto lag en dat twee collega’s dit op 21 januari 2014 hebben geconstateerd. Nu het geldbedrag in de auto van A-Meubel is aangetroffen, kan niet worden geconcludeerd dat werknemer het bedrag in eigen bezit heeft gehouden, dat wil zeggen heeft verduisterd. Onvoldoende aannemelijk is dat het door A-Meubel aan werknemer verleende ontslag op staande voet in een bodemprocedure stand zal houden. Dit betekent dat ook de door A-Meubel in reconventie gevorderde gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen.