Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 13 juli 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:2899
College van Bestuur Stichting Fidarda/Oudergeleding Medezeggenschapsraad St. Antoniusschool
Stichting Fidarda (hierna: Fidarda) is een organisatie voor het primair onderwijs, bestaande uit twintig scholen, waaronder de St. Antoniusschool. In het schooljaarplan 2014/2015 is de invoering van de rekenmethode Math opgenomen. Math is, anders dan Pluspunt, een digitale rekenmethode, die er onder meer in voorziet dat kinderen, met gebruik van tablets/computers, op eigen niveau en eigen snelheid leren rekenen. Nadat in het schooljaar 2013/2014 in groep 5 van de St. Antoniusschool een pilot met het werken van Math had plaatsgevonden, is het plan voor algehele invoering van de nieuwe rekenmethode binnen de school in het voorjaar 2014 aan de MR en de Ouderadviescommissie gepresenteerd. Op grond van artikel 21 van het medezeggenschapsreglement heeft de MR instemmingsrecht ten aanzien van vaststelling of wijziging van het schoolplan dan wel het leerplan. Fidarda heeft steeds het standpunt ingenomen dat het besluit tot wijziging van de rekenmethode (van Pluspunt naar Math) niet de instemming van de MR behoeft. Bij verzoekschrift van 30 november 2014 heeft de Oudergeleding Medezeggenschapsraad (hierna: OMR) bij de Landelijke Commissie voor Geschillen Wms (hierna: LCG) een interpretatiegeschil aanhangig gemaakt. De LCG heeft beslist dat ‘schoolplan’ als genoemd in artikel 21 aanhef en onderdeel b medezeggenschapsreglement en artikel 10 aanhef en onderdeel b van de Wet medezeggenschap op scholen (hierna: Wms) mede omvat de gehanteerde onderwijsmethoden en ontwikkelingsmaterialen. Fidarda verzoekt de OMR alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek aan de LCG.
De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. Voorop gesteld wordt dat ook ten aanzien van het voorleggen van een interpretatiegeschil aan de LCG de eis geldt dat de verzoeker bij een zodanig verzoek een voldoende concreet belang moet hebben (vgl. het bepaalde in art. 3:303 BW). Zoals Fidarda terecht heeft opgemerkt is het niet de bedoeling dat aan de LCG verzoeken worden gedaan tot het doen van een bindende uitspraak over de interpretatie van de Wms wanneer er helemaal geen geschil (meer) is. De in het beroepschrift door Fidarda ingenomen stelling dat tussen partijen niet in geding is dat de uitkomst van het interpretatiegeschil geen consequenties heeft voor de invoering van de rekenmethode Math als zodanig, is door de OMR niet bestreden. De stelling vindt bevestiging in hetgeen in de MR-vergadering van 28 april 2015 is besloten: uit hetgeen aan de Ondernemingskamer omtrent die vergadering is bekend gemaakt blijkt dat de invoering in ieder geval tot januari 2016 de instemming heeft van de gehele MR, met dien verstande dat de invoering in januari 2016 zal worden geëvalueerd en dat vervolgens nieuwe besluitvorming binnen de MR zal plaatsvinden. Dit kan slechts tot de conclusie leiden dat van een concreet medezeggenschapsgeschil, waarin een uitspraak van de LCG c.q. de Ondernemingskamer nog daadwerkelijke gevolgen zal/kan hebben, geen sprake meer is. Gevolg daarvan is dat de LCG de OMR ten onrechte in haar verzoek heeft ontvangen. De uitspraak van de LCG wordt vernietigd en de OMR wordt alsnog niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.