Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Workers4U B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 7 juli 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:1746

werknemer/Workers4U B.V.

Uitzendkracht heeft geen recht op aanvulling ZW-uitkering op grond van NBBU CAO, omdat ten tijde van beƫindiging van de overeenkomst geen sprake was van arbeidsongeschiktheid.

Op 6 maart 2013 is tussen Workers4U en werknemer een uitzendovereenkomst tot stand gekomen. Werknemer is ingeleend door Cofely West Industries. Op deze overeenkomst zijn de NBBU CAO en het uitzendbeding van toepassing. Op donderdag 25 april 2013 stuurt een betrokkene van Cofely West Industries een e-mail aan Workers4U met het bericht dat werknemer er eind van die week voor de laatste maal zou zijn. Volgens Cofely West Industries zou 25 april 2013 de laatste werkdag zijn. Sinds 29 april 2013 ontvangt werknemer een ZW-uitkering. Werknemer heeft gevorderd Workers4U te veroordelen aan hem te betalen een aanvulling van de uitkering op grond van de ZW tot 90 procent van het geldende maximumdagloon over de periode van 26 april tot en met 15 november 2013 en de aanvulling van de uitkering op grond van de ZW vanaf 18 november tot en met het bereiken van de 52ste ziekteweek of zoveel eerder als werknemer voldoende hersteld zal worden geacht om arbeid te verrichten. Aan zijn vordering heeft werknemer ten grondslag gelegd dat hij tijdens de uitzendovereenkomst ziek is geworden. Hij voert aan dat hij zich op 26 april 2013 heeft gemeld bij de inlener, maar hoorde aldaar dat er geen werkzaamheden meer voor hem voorhanden waren. Werknemer is vervolgens naar het kantoor van Workers4U gegaan en heeft zich ziek gemeld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de uitzendovereenkomst van rechtswege met ingang van 26 april 2013 is geëindigd, omdat aan de terbeschikkingstelling een einde is gekomen op verzoek van de inlener. Op het moment waarop de uitzendovereenkomst eindigde was werknemer nog niet arbeidsongeschikt. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer afgewezen.

Het hof oordeelt als volgt. Op grond van artikel 25 van de NBBU CAO heeft de uitzendkracht tegenover de uitzendonderneming recht op een aanvulling van zijn ZW-uitkering als de overeenkomst eindigt doordat de terbeschikkingstelling een einde neemt wegens arbeidsongeschiktheid en mits de uitzendkracht op dat moment recht heeft op een uitkering op grond van de ZW. Dit artikel stelt expliciet als voorwaarde voor een recht op aanvulling dat de uitzendkracht ‘op dat moment’ recht heeft op een uitkering. De kantonrechter heeft deze eis zo opgevat dat de uitzendkracht ten tijde van de beëindiging van de overeenkomst arbeidsongeschikt moet zijn om voor een aanvulling in aanmerking te komen, welke opvatting het hof juist oordeelt. Zelfs als wordt aangenomen dat de communicatie over de beëindiging van de inlening niet optimaal en niet tijdig heeft plaatsgevonden, dan nog geldt dat niet-naleving van de door artikel 13 lid 3 onder b NBBU CAO voorgeschreven gedragsnorm geen gevolgen heeft voor de beëindiging van de uitzendovereenkomst. Gelet op de formulering van deze bepaling is sprake van een aanbevolen handelwijze, en niet van een norm die – bij niet-naleving – de geldigheid van de beëindiging van de uitzendovereenkomst beoogt aan te tasten. Werknemer stelt nog dat Workers4U bekend was met de al jarenlang bestaande psychische klachten van werknemer. Als wordt aangenomen dat dit juist is en ook al zou Workers4U hebben verklaard te zorgen voor 'stabiel en constant werk', dan kan dit toch niet afdoen aan het oordeel dat ten tijde van de beëindiging van de uitzendovereenkomst geen sprake was van arbeidsongeschiktheid en daarom geen aanspraak bestaat op de door werknemer gevorderde aanvulling. Volgt bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter.