Rechtspraak
Y c.s.
X heeft bij dagvaarding gevorderd bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat in de eerste plaats Y c.s., die volgens X in strijd met artikel 73 van de toepasselijke cao handelen, de betrokken chauffeurs per direct informeren over dit strijdig handelen op verbeurte van een dwangsom, dat in de tweede plaats gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan X van een schadevergoeding van € 17.500 en in de derde plaats dat Y c.s. worden veroordeeld tot betaling van de kosten van deze procedure. Y c.s. hebben een wrakingsverzoek ingediend. Allereerst is betoogd dat de kantonrechter ten onrechte niet is ingegaan op het ter zitting van 29 juni 2015 gedane formele verweer van Y c.s. dat X een spookpartij is waartegen zij zich niet kunnen verweren. In de tweede plaats is betoogd dat Y c.s. en haar vertegenwoordigers tijdens de schorsing op de zitting van 29 juni 2015 de zittingszaal hebben verlaten terwijl de kantonrechter met (onder meer) de (vertegenwoordigers van) X in de zaal is achtergebleven.
De rechtbank oordeelt als volgt. Ten aanzien van de eerste wrakingsgrond geldt dat blijkens het proces-verbaal door Y c.s. een formeel verweer is gevoerd waarbij de vraag werd gesteld of X als rechtspersoon bestond. De kantonrechter heeft blijkens het proces-verbaal gesteld in het vonnis hier nader op in te gaan. De wrakingskamer begrijpt deze wrakingsgrond zodanig dat de weigering van de kantonrechter om voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak nader in te gaan op dit verweer, voor Y c.s. de schijn tot vooringenomenheid heeft gewekt. Het behoort tot het domein van de zittingsrechter om in het kader van de procesorde te bepalen op welk moment in de procedure op verweren wordt beslist. Dat de zittingsrechter heeft aangegeven bij vonnis op het verweer te beslissen, maakt daarom nog niet dat er sprake is van vooringenomenheid. De tweede wrakingsgrond kan evenmin leiden tot gegrondverklaring van het verzoek tot wraking. Hoewel de wrakingskamer wel van oordeel is dat in het algemeen moet worden voorkomen dat een rechter tijdens de schorsing van een rechtszaak met een van de partijen in de zittingszaal achterblijft terwijl de andere partij de zittingszaal verlaat, leidt dit niet tot de conclusie dat er in dit geval sprake is geweest van vooringenomenheid. Daarbij acht de wrakingskamer van groot belang dat behalve de (vertegenwoordigers van) X ook pers in de zaal zat en er dus geen gelegenheid is geweest voor de kantonrechter om alleen met de (vertegenwoordigers van) X over de zaak te praten. De kantonrechter heeft ook overigens nadrukkelijk aangegeven niet met de achtergebleven partij en pers over de zaak te hebben gesproken.