Naar boven ↑

Rechtspraak

Palludara /Medezeggenschapsraad Mids de Marren
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 20 juli 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:3005

Palludara /Medezeggenschapsraad Mids de Marren

Medezeggenschapsraad of GMR instemmingsrecht bij voorgenomen besluit fusie scholen?

Palludara vormt het bestuur van 17 basisscholen in het zuidwesten van Friesland. Tot die basisscholen horen de christelijke basisschool Mids de Marren te Gaastmeer (een jenaplanschool) en de christelijke basisschool Klaver Trije te Oudega. De regio heeft te maken met een krimp. Op 3 december 2013 heeft Palludara een ‘intentieverklaring fusie’, vergezeld van een ‘plan van aanpak scholenfusie’ ter instemming voorgelegd aan de Medezeggenschapsraden van Mids de Marren en Klaver Trije. Mids de Marren heeft haar instemming niet verleend, omdat zij de voorgenomen fusie onvoldoende onderbouwd achtte. De Landelijke Commissie voor Geschillen Wms (hierna ook: de LCG) heeft bij uitspraak van 19 februari 2015, met nummer 106275, in het door Palludara aan haar voorgelegde geding tussen partijen beslist dat de MR in redelijkheid instemming heeft kunnen onthouden aan het voorgenomen besluit tot fusie tussen Mids de Marren en Klaver Trije, inclusief de fusie-effectrapportage, en dat geen sprake is van bepaalde zwaarwegende omstandigheden die het voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigen. Palludara stelt zich op het standpunt dat de MR ter zake geen instemmingsrecht toekomt, dan wel dat de LCG niet bevoegd is hierover te oordelen (art. 10 WMS), dan wel dat ten onrechte is geoordeeld dat het bevoegde gezag niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen.

De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. Palludara stelt in hoger beroep de bevoegdheidsverdeling tussen de MR en de GMR aan de orde. Zij betoogt primair, met een beroep op het bepaalde in artikel 16 Wms en artikel 25 aanhef en onder d van het toepasselijke medezeggenschapsreglement, dat ten aanzien van de onderhavige fusie aan de GMR instemming dient te worden verzocht (volgens Palludara is dat – in het kader van het beleidsplan – ook gebeurd en is de instemming van de GMR verkregen), dat de GMR terzake in de plaats van de MR treedt en dat aan de MR geen instemmingsrecht toekomt. Zij stelt zich dus op het standpunt dat de LCG niet van het door de Palludara aanhangig gemaakte instemmingsgeschil had mogen kennisnemen. De Ondernemingskamer verwerpt dit primaire betoog van Palludara. Palludara heeft de MR instemming gevraagd en, toen instemming niet werd verkregen, de LCG verzocht uit te spreken dat de MR niet in redelijkheid zijn instemming aan het fusieplan heeft kunnen onthouden, dan wel dat zich zwaarwegende omstandigheden in de zin van artikel 32 lid 3 Wms aan de kant van Palludara voordoen. De LCG heeft dit verzoek beoordeeld en een uitspraak op het verzoek gedaan. In de uitspraak van de LCG valt niet te lezen dat zij zich over de door Palludara thans in hoger beroep opgeworpen interpretatiekwestie heeft uitgesproken. Daar was ook geen aanleiding voor; de LCG had geen aanknopingspunten het aan haar voorgelegde geschil als interpretatiegeschil te beschouwen. De vraag of (alleen) de GMR en niet de MR het instemmingsrecht had, is als zodanig niet in de procedure bij de LCG opgeworpen en de LCG heeft deze vraag niet ambtshalve onder ogen hoeven zien omdat beantwoording van die vraag een weging van in dat verband aan te voeren feiten en omstandigheden vergt. De Ondernemingskamer komt derhalve niet tot het oordeel dat de LCG de wet onjuist heeft toegepast. Bij het voorgaande kan in het midden blijven of het feit dat instemming aan de MR is gevraagd, op zichzelf meebrengt dat daarmee een instemmingsrecht wordt verkregen. Het subsidiaire verwijt dat de LCG ten onrechte de instemming van de GMR niet als gezichtspunt bij de belangenafweging heeft betrokken, gaat niet op. De instemming van de GMR is weliswaar in de stukken van de procedure bij de LCG vermeld, maar dit feit is niet aan de LCG voorgelegd als mee te wegen gezichtspunt. Dat de LCG dit feit niet afzonderlijk in het kader van de belangenafweging heeft vermeld, duidt derhalve niet op een onjuiste toepassing van de wet.