Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 3 juni 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:5365
werkneemster/Stichting Nederlandse Publieke Omroep
Werkneemster is in dienst geweest van de Stichting Nederlandse Publieke Omroep (hierna: NPO). Op de arbeidsverhouding tussen partijen is van toepassing het door PNO vastgestelde Pensioenreglement PNO Pensioenregeling 1. Ten behoeve van de beëindiging van het dienstverband is tussen partijen op 13 februari 2013 een vaststellingsovereenkomst ex artikel 7:900 BW overeengekomen, waarbij het dienstverband is beëindigd met ingang van 1 mei 2013 en waarbij onder meer de financiële gevolgen voor werkneemster conform het Sociaal Plan zijn geregeld. Werkneemster stelt zich in de onderhavige procedure op het standpunt dat NPO jegens haar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen ingevolge de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst respectievelijk vaststellingsovereenkomst, door pensioenpremies niet af te dragen aan het pensioenfonds over de periode 1 november 1978 (vanaf haar 25-jarige leeftijd) tot aan 1 april 1981 en over de periode na 1 mei 2013 tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd, alsmede door geen pensioenpremie af te dragen over de aan haar uitbetaalde vakantiedagen. Tussen partijen is in geschil of in de periode 1 november 1978 tot 1 april 1981 sprake is geweest van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (standpunt werkneemster) dan wel sprake is geweest van opdrachtovereenkomsten op freelance basis (standpunt NPO).
De kantonrechter oordeelt als volgt. Zelfs als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd vanaf 1 april 1978 tot 1 april 1981 en dat op die overeenkomsten de toen geldende pensioenregeling (die overigens door partijen niet in het geding is gebracht) van toepassing was en uit dien hoofde een pensioenpremieverplichting gold voor NPO, wordt de vordering afgewezen. De vordering is namelijk verjaard (art. 3:307 BW). De rechtsvordering van de werknemer tot het alsnog betalen van premies door de werkgever over de periode vóór april 1981 is een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen. Als dient te worden uitgegaan van de verjaringstermijn van 20 jaar ex artikel 3:310 BW dan is de vordering van werkneemster eveneens verjaard. Voor wat betreft de pensioenopbouw vanaf 1 mei 2013 tot de pensioengerechtigde leeftijd wordt het volgende overwogen. Het beroep van werkneemster op het pensioenreglement ziet op een onjuiste interpretatie van het artikel 16.1. Met de loongerelateerde afvloeiingsregeling wordt naar het oordeel van de kantonrechter bedoeld een regeling waarbij een vervangende (periodieke) uitkering wordt verstrekt ter vervanging van het salaris. Dit vloeit ook voort uit lid 4 van artikel 16.1 van het pensioenreglement waarin is opgenomen dat indien de loongerelateerde afvloeiingsregeling eindigt dit gelijk wordt gesteld aan beëindiging van het deelnemerschap. Aan werkneemster is geen periodieke uitkering verstrekt, maar een eenmalige uitkering van € 330.776,57 op basis van het Sociaal Plan uitgewerkt in de tussen partijen tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst. Als al zou kunnen worden gesproken van een loongerelateerde afvloeiingsregeling in de zin van artikel 16.1 sub 1 dan is door betaling van het bedrag ineens de afvloeiingsregeling beëindigd en daarmede ook het deelnemerschap. Uit het Sociaal Plan blijkt genoegzaam dat bij beëindiging van het dienstverband ook het deelnemerschap in de pensioenregeling eindigt. Dat werkneemster bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft gedwaald is niet aannemelijk, temeer nu werkneemster zich bij het sluiten van de overeenkomst van juridische bijstand had kunnen voorzien conform het door NPO toegekende budget. De vordering wordt afgewezen.
Voorts ligt de vraag voor of als uitgangspunt heeft te gelden dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie moet worden meegewogen bij berekening van de uitkering in geld vanwege een niet-genoten vakantieaanspraak bij einde dienstverband. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Uit de jurisprudentie van het HvJ EG (EU Hof van Justitie Williams/British Airways van 15 september 2011 (JAR 2011/279) en de Hoge Raad (HR 26 januari 1990, NJ 1990, 499; Hof Den Haag 28 januari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:72) volgt dat de vergoeding tijdens/voor een vakantiedag gelijk dient te zijn aan het bedrag dat de werknemer zou hebben gekregen als hij geen vakantie had opgenomen. Daarnaast geldt dat een werknemer bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen niet in een nadeliger positie mag komen te verkeren, dan bij in dienst blijven en het opnemen van die vakantiedagen. Vaststaat dat de werkgever van werkneemster over het loon voor tijdens het dienstverband opgenomen vakantiedagen het werkgeversdeel van de pensioenpremie moet afdragen aan de pensioenuitvoerder. Dit betekent dat hij deze bijdrage ook verschuldigd is voor niet genoten vakantiedagen. Dat de pensioenpremie over de uit te betalen vakantiedagen wegens het geëindigd zijn van de dienstbetrekking van werkneemster niet meer kan worden afgedragen aan de pensioenuitvoerder, betekent niet dat werkneemster in een financieel gunstiger positie wordt gebracht indien de premie aan haar wordt uitbetaald. NPO wordt hierdoor ook niet benadeeld, zodat niet valt in te zien waarvoor deze hiervan zou moeten profiteren. Het verweer van NPO, dat volgens het geldend pensioenreglement alleen premie is verschuldigd als een persoon als deelnemer moet worden gekwalificeerd en werkneemster vanaf 1 mei 2013 door de beëindiging van het dienstverband geen deelnemer meer was, faalt. Bepalend is immers het te hanteren (ruime) loonbegrip ex artikel 7:641 BW voortvloeiend uit de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, waarin is opgenomen een pensioenregeling ten behoeve van werkneemster.