Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 29 juli 2015
ECLI:NL:RBDHA:2015:8800
Departementale Ondernemingsraad Ministerie van Veiligheid en Justitie c.s./Staat der Nederlanden
Teneinde de medezeggenschap binnen de Rijksoverheid vorm te geven, zijn binnen de ministeries en zelfstandige onderdelen daarvan ongeveer 220 ondernemingsraden ingesteld, waarvan alleen al binnen het Ministerie van Veiligheid en Justitie 87 ondernemingsraden. Binnen het Ministerie van Veiligheid en Justitie zijn onder meer de ondernemingsraden ingesteld, die verzoekers zijn in het onderhavige verzoekschrift. Op 22 mei 2015 is besloten tot het instellen van een GOR-Rijk, waarin de medezeggenschap van alle ministeries, met uitzondering van het Ministerie van Defensie, gebundeld wordt. In de eerste plaats stellen de Ondernemingsraden dat dit besluit nietig is, althans onbevoegd is genomen. In de tweede plaats stellen zij dat de instelling van de GOR-Rijk niet bevorderlijk is voor de medezeggenschap binnen de overheid, omdat er onvoldoende samenhang dan wel onvoldoende gemeenschappelijk belang bestaat tussen de verschillende departementen, waarvan de medezeggenschap zou samenkomen in de GOR-Rijk. In de derde plaats doet de voorgestelde zetelverdeling in de GOR-Rijk geen recht aan de grote verschillen in personeelsopbouw tussen de verschillende departementen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Partijen hebben als uitgangspunt genomen dat het de Ministerraad is geweest die tot instelling van de GOR-Rijk heeft beslist. Partijen worden hierin niet gevolgd. De instelling van de GOR-Rijk is besproken en besloten in de Ministerraad, maar vervolgens hebben de bewindslieden van de ministeries die betrokken zijn bij de instelling van de GOR-Rijk een afzonderlijk besluit genomen: het besluit van 22 mei 2015. Er is tot instelling van de GOR-Rijk besloten met inachtneming van lid 3 van artikel 33 WOR. De betrokken ministers hebben in hun hoedanigheid van ‘ondernemers’ in de zin van de WOR, die elk wat betreft hun ‘ondernemingen’, dat wil zeggen hun ministeries, ondernemingsraden hebben ingesteld, besloten tot instelling van de GOR-Rijk. Het besluit is derhalve op de juiste wijze en bevoegd genomen. Zoals uit de, mede van de zijde van de Ondernemingsraden geciteerde, notitie Behoedzaam Opbouwen blijkt, is binnen de rijksdienst een sterke beweging gericht op sterkere samenwerking tussen de ministeries. In Bijlage 2 bij die notitie worden ook enkele voorbeelden gegeven van onderwerpen van gemeenschappelijk belang. Dat deze onderwerpen er zijn, wordt door de Ondernemingsraden in de kern ook niet ontkend. Daarmee is voldoende gebleken dat er een zekere samenhang bestaat tussen de betrokken ministeries, nog afgezien van het feit dat het regeringsbeleid wordt uitgevoerd door de ministeries, die daarmee in wezen gezamenlijk de uitvoeringsorganen van de Staat vormen, en alleen daardoor al voldoende samenhang hebben. Als er, zoals is overwogen, aangelegenheden van gemeenschappelijk belang zijn, is het organiseren van de medezeggenschap op het gemeenschappelijk niveau al snel effectief en doelmatig. Want het alternatief is dat de medezeggenschap over telkens dezelfde onderwerpen op (meer) decentraal niveau plaatsvindt door verschillende ondernemingsraden in hun overleg met verschillende bestuurders. In het argument van de Ondernemingsraden dat de medezeggenschap daar moet plaatsvinden waar in overwegende mate zeggenschap bestaat (en dat het instellen van de GOR-Rijk strijdig is met dat uitgangspunt), vindt de kantonrechter juist aanleiding om de instelling van de GOR-Rijk bevorderlijk te achten voor de goede toepassing van de WOR. Aangelegenheden van gemeenschappelijk belang komen ter tafel van de groepsondernemingsraad, waar vertegenwoordigers van de verschillende onderliggende geledingen elk vanuit hun eigen vertrekpunt de medezeggenschapaangelegenheden kunnen belichten om, indien mogelijk, tot een gemeenschappelijk gedragen standpunt te komen. De kantonrechter is dus, in tegenstelling tot de Ondernemingsraden, van oordeel dat de medezeggenschap voor aangelegenheden van gemeenschappelijk belang op het niveau van de groepsondernemingsraad moet worden georganiseerd, omdat daar in overwegende mate de zeggenschap dient plaats te vinden.
Als subsidiaire verzoeken hebben de Ondernemingsraden zich op het standpunt gesteld dat het (voorlopig) reglement van de GOR-Rijk in strijd is met WOR, omdat de zetelverdeling in de GOR-Rijk niet in overeenstemming is met de uitgangspunten van de WOR. Op basis van de getalsverhoudingen wordt vastgesteld dat de GOR-Rijk een onwerkbare omvang zou krijgen als strikt zou worden vastgehouden aan het uitgangspunt van evenredige vertegenwoordiging en het aantal fte de maatstaf zou zijn voor het aantal zetels in de GOR-Rijk. Het enige hieromtrent in de WOR vastgelegde uitgangspunt is dat de verschillende groepen van de in de betrokken ondernemingen werkzame personen in de GOR-Rijk vertegenwoordigd zijn (artikel 34 lid 3 en lid 7 WOR). Wat er ook zij van de visie van de Ondernemingsraden ten aanzien van de zetelverdeling, de constatering moet zijn dat aan dat uitgangspunt is voldaan: het voorlopig reglement van de GOR-Rijk voorziet erin dat van alle betrokken ministeries ten minste twee afgevaardigden in de GOR-Rijk vertegenwoordigd zijn. Gelet op de wetsgeschiedenis (Tweede Kamer, zitting 1975-1976, Kamerstukken 13054, nr. 8) is het beginsel dat iedere geleding, ook die geledingen die getalsmatig ondervertegenwoordigd zijn, in de centrale of groepsondernemingsraad vertegenwoordigd is, belangrijker dan het beginsel van evenredige vertegenwoordiging. Dat in het voorlopig reglement het aantal fte als uitgangspunt wordt genomen in plaats van het aantal in de ondernemingsraad werkzame personen, is gelet op de grote getalsmatige verschillen tussen de betrokken ministeries evenmin in strijd met de WOR. Volgt afwijzing van de verzoeken van de Ondernemingsraden.