Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 30 juli 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:5760
werkgever/werknemer
Werknemer is in dienst werkgever. Werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsrelatie. Werknemer ontkent de verstoorde arbeidsrelatie niet. Er is gezocht naar een andere functie, maar die is niet gevonden.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het verzoek houdt geen verband met een opzegverbod. Voldoende aannemelijk is geworden dat er sprake is van een verstoring in de arbeidsrelatie (artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW). Op grond van de wet (artikel 7:671b lid 8 BW) bepaalt de kantonrechter bij inwilliging van het verzoek het einde van de arbeidsovereenkomst en wel op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd onder aftrek in dit geval van de ene dag die zit tussen ontvangst van het verzoek en de ontbindingsbeslissing (respectievelijk 29 juli 2015 en 30 juli 2015). Nu partijen daarover niets in het verzoek- en verweerschrift hebben vermeld, zal de kantonrechter de wettelijke omschrijving volgen. De kantonrechter ziet voorts sinds 1 juli 2015 in een geval als het onderhavige, waarin niet is aangevoerd dat sprake is van een ernstig handelen of nalaten van de werkgever, geen taak meer voor zich weggelegd om een (billijke) vergoeding toe te kennen. Partijen kunnen dat onderling regelen in een beëindigingsovereenkomst /vaststellingsovereenkomst.