Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 9 juni 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:1282
werkgever/werkneemster
Werkneemster is op 5 maart 2012 bij werkgever in dienst getreden als huishoudelijke hulp (huishoudster). Haar laatstverdiende salaris bedroeg € 3.100,00 bruto per maand. Werkgever heeft een verzoekschrift ex artikel 7:685 BW ingediend bij de kantonrechter te Den Haag, op grond van disfunctioneren. In het proces-verbaal staat opgenomen dat de kantonrechter overgaat tot ontbinding met C=2. Bij beschikking van 10 februari 2015 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 maart 2015, onder toekenning van een vergoeding van € 7.500,00 bruto aan werkneemster. Bij brief van 13 februari 2015 heeft de advocaat van werkneemster de kantonrechter verzocht om een herstelbeschikking, omdat naar zijn mening een kennelijke (reken)fout in de beschikking was geslopen, gelet op de hoogte van de toegekende vergoeding. Bij herstelbeschikking van 23 februari 2015 heeft de kantonrechter de op 10 februari 2015 gegeven beschikking verbeterd en aan [werkneemster] een vergoeding van € 20.088,00 bruto toegekend. Werkgever stelt zich thans op het standpunt dat de kantonrechter buiten het toepassingsbereik van artikel 31 Rv is getreden.
Het hof oordeelt als volgt. Op grond van artikel 31 lid 4 Rv staat tegen de verbetering van een beschikking (of de weigering daarvan) geen voorziening open. Een uitzondering hierop wordt aangenomen indien de appellant stelt dat de rechter zijn bevoegdheid tot herstel ten onrechte niet heeft toegepast of buiten het toepassingsgebied daarvan is getreden, dan wel zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen, dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling (HR 25 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2656). De in de jurisprudentie toelaatbaar geachte uitzondering ‘dat partijen niet anders konden aannemen dan dat de eindbeslissing uitsluitend het gevolg was van een evidente vergissing’ (HR 23 juni 1989 ECLI:NL:HR:1989:AG6115) doet zich hier naar het oordeel van het hof voor. Uit het proces-verbaal blijkt dat de kantonrechter aan het slot van de mondelinge behandeling heeft opgemerkt C=2 zal in ieder geval worden toegewezen. De advocaten van beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep bevestigd dat de kantonrechter aan het eind van de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft meegedeeld “U moet in ieder geval rekening houden met C=2” dan wel woorden van gelijke strekking. Gelet op de overweging in de herstelbeschikking dat de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling heeft “medegedeeld dat C=2 aan werkneemster toegewezen zou worden”, gaat het hof ervan uit dat de kantonrechter met de woorden ‘in ieder geval’ niet bedoeld heeft te zeggen dat minimaal C=2 zou worden toegekend, in die zin dat het boven C=2 nog alle kanten uit kon. Daarentegen begrijpt het hof die uitlating aldus dat de kantonrechter zich heeft willen binden aan C=2. Dat in de herstelbeschikking aansluitend is vermeld dat het voor partijen duidelijk was “dat een bedrag in die orde van grootte toegewezen zou worden” maakt dit niet anders. Dat de kantonrechter bij de toekenning van het bedrag van € 7.500,00 bruto in de veronderstelling verkeerde dat dit een bedrag hoger dan correctiefactor 2 betrof, en dus ogenschijnlijk in strijd handelde met de in het vooruitzicht gestelde correctiefactor, is voor het hof geen reden om te twijfelen aan de bedoeling C=2 toe te passen, hetgeen voor partijen ook kenbaar was. De ‘hogere’ vergoeding in de oorspronkelijke beslissing werd kennelijk ingegeven door het lage bedrag dat C=2 opleverde als gevolg van de gemaakte rekenfout. Dat voor derden bij het lezen van de oorspronkelijke ontbindingsbeschikking niet direct kenbaar hoeft te zijn dat sprake is van een kennelijke fout, is naar het oordeel van het hof in de onderhavige situatie van ondergeschikt belang, aangezien de rechtszekerheid voor de betrokken partijen – zoals hiervoor overwogen – niet in het gedrang is en gesteld noch gebleken is dat er sprake is van derde-belanghebbenden. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2004 waarin de Hoge Raad heeft aangenomen dat onder een ‘andere kennelijke fout’ ook een verschil tussen de in de raadkamer vastgestelde tekst en de tekst die uiteindelijk in het arrest is opgenomen valt (ECLI:NL:HR:2004:AO4601).
Gelet op deze in acht te nemen terughoudendheid, zijn de door werkneemster genoemde omstandigheden, te weten dat werkgever, met een geschat vermogen van 335 miljoen euro, zijn arbeidsongeschikte huishoudster werkneemster niet alleen heeft “gedumpt” maar er ook nog eens alles aan doet om werkneemster opnieuw op kosten te jagen met deze beroepsprocedure, waardoor er van de toegekende ontbindingsvergoeding weinig meer overblijft, onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat werkgever met het aanspannen van de onderhavige procedure misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld. Het hof zal daarom bij de veroordeling van werkgever in de proceskosten het gebruikelijke liquidatietarief toepassen.