Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Partou B.V.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 30 juli 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:5703

werkneemster/Partou B.V.

Zieke werkneemster is volledig hersteld en heeft voordat zij opnieuw is uitgevallen zeven weken de bedongen arbeid verricht. Vanaf hernieuwde  uitval geldt opnieuw een loondoorbetalingsverplichting van 104 weken.

Werkneemster is met ingang van 2 mei 2007 in dienst van Partou als pedagogisch medewerker. In de periode van 29 oktober 2012 tot 26 oktober 2014 was zij volledig arbeidsongeschikt. Het UWV heeft aan werkgever een loonsanctie opgelegd. Met ingang van 27 oktober 2015 is werkneemster volledig hersteld gemeld. Werkneemster is met ingang van 5 januari 2015 (wederom) volledig uitgevallen. Daarvoor was zij van 15 tot 18 december 2014 arbeidsongeschikt, vanwege een andere oorzaak. Werkneemster vordert loondoorbetaling vanaf 1 april 2015. De arbeidsovereenkomst is na verkregen toestemming opgezegd tegen 1 september 2015. Partou is vanaf medio april 2015 gestopt met het betalen van het loon en de gebruikelijke emolumenten aan werkneemster omdat Partou zich op het standpunt stelt dat zij met ingang van 5 januari 2015 geen loon meer aan werkneemster verschuldigd is. Kern van het geschil betreft de vraag of op 5 januari 2015 een nieuwe loondoorbetalingsperiode ex artikel 7:629 lid 1 BW is gaan lopen.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat werkneemster vanaf 28 oktober 2014 weer 100 procent hersteld is gemeld en dat zij daadwerkelijk de bedongen arbeid heeft verricht tot 5 januari 2015. Vanaf deze datum is zij wederom volledig uitgevallen (100 procent arbeidsongeschikt) en ook in de periode van 15 tot 18 december 2015 was werkneemster arbeidsongeschikt. Tussen partijen is in geding of er ook op 20 november 2014 sprake is geweest van arbeidsongeschiktheid. Genoegzaam is komen vast te staan dat werkneemster verlof heeft opgenomen op 20 november 2014. Niet gebleken is dat er een ziekmelding is geregistreerd, zodat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat werkneemster die middag de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat zij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte daartoe verhinderd was. De enkele mededeling van werkneemster dat zij zich op die bewuste middag niet lekker voelde is daarvoor onvoldoende. Uitgangspunt is dat werkneemster in de periode van 28 oktober 2014 tot 15 december 2014 feitelijk de bedongen arbeid heeft verricht, een periode van om en nabij zeven weken. Met het oog op het bepaalde in artikel 7:629 lid 10 BW worden deze twee ziekteperioden niet bij elkaar opgeteld, nu er meer dan vier weken tussen zit. Dit betekent dat werkneemster op grond van artikel 7:629 BW vanaf 15 december 2014 recht heeft behouden op doorbetaling van het voor haar gebruikelijke loon. De kantonrecht deelt het standpunt van partijen dat het bepaalde in artikel 7:629 lid 10 BW met zich brengt dat de ziekteperiode van 15 tot 18 december 2014 wordt opgeteld bij de (ononderbroken) periode van arbeidsongeschiktheid sinds 5 januari 2015.