Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 31 juli 2015
ECLI:NL:RBLIM:2015:6602
werknemer/Koninklijke Post NL B.V.
Werknemer is op 23 juni 2008 in dienst getreden bij PostNL in de functie van postbezorger. Werknemer is op staande voet ontslagen. Kort gezegd wordt hem verweten dat hij de verplichtingen, voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst, ernstig heeft veronachtzaamd. Nadat door PostNL een klacht was ontvangen over het niet bezorgen van de zogenoemde huis-aan-huispost, is er een controle uitgevoerd. Hieruit bleek inderdaad (men heeft op meerdere adressen binnen de te bezorgen wijk geïnformeerd) dat de huis-aan-huispost niet was bezorgd. Vervolgens werd door een van haar medewerkers een aantal bundels post, die op zaterdag 16 mei 2015 door werknemer bezorgd had moeten worden, aangetroffen. Deze handelwijze van werknemer staat niet op zichzelf. Werknemer betwist dat sprake is van een dringende reden en beroept zich op de vernietigbaarheid van het ontslag.
De kantonrechter oordeelt als volgt. In het kader van dit kort geding is voldoende aannemelijk geworden dat werknemer daadwerkelijk niet (alle) huis-aan-huispost op 16 mei 2015 heeft bezorgd en dat hij op die dag niet alle post van de ‘loop’ Lange Akker heeft bezorgd. Er is geen goede reden gegeven door werknemer waarom mevrouw X niet geloofd zou moeten worden, die stelt dat zij op die dag 17 klanten heeft gebeld, door de hele wijk heen, waarvan er 10 hebben verteld dat ze geen huis-aan-huispost hadden ontvangen. PostNL heeft de namen van de betreffende klanten ook vrijgegeven, het stond werknemer vrij om bij hen na te gaan of klopte wat mevrouw X heeft gezegd, maar werknemer heeft dat kennelijk niet willen onderzoeken. Bovendien heeft ook collega Y uit eigen wetenschap verklaard dat werknemer op 12 mei 2015, vier dagen eerder, tegenover hem erkende dat ‘hij echt niet overal HAH (huis-aan-huispost) gaat ingooien’. Noch Y noch de dochter van Y ontvingen die dag huis-aan-huispost van werknemer en de kantonrechter hecht waarde aan die verklaring van Y, nu in het dossier geen enkele aanwijzing is om maar te vermoeden dat Y goede reden had om werknemer ten onrechte te beschuldigen, terwijl werknemer desgevraagd ter zitting ook geen reden kon geven waarom Y dat valselijk zou hebben willen doen. Tot slot legt ook nog gewicht in de schaal dat de verontschuldiging van werknemer voor het niet lopen van de hele wijk op 16 mei 2015 bepaald niet plausibel is. Werknemer heeft ter zitting erkend dat hij tevoren wist dat hij op zaterdag 16 mei 2015 de hele wijk moest ‘lopen’. Volgens hem was hij dat echter op 16 mei 2015 vergeten (op zich al vreemd), dacht hij toen dat hij maar een halve wijk moest lopen (de kantonrechter begrijpt niet waarom werknemer dat dan dacht), nam werknemer nu wel meer post mee dan zijn eigen deel, om de collega van het andere deel van de wijk te ‘ontlasten’, wat hij anders volgens eigen zeggen nog nooit had gedaan (!), terwijl hij niet wist wie die collega zou zijn (!). PostNL mocht overgaan tot ontslag op staande voet, nu er zulke sterke aanwijzingen zijn dat werknemer zijn verplichting om de post volledig en tijdig te bezorgen, moedwillig heeft veronachtzaamd, alleen al op 16 mei 2015. Uit het dossier blijkt verder genoegzaam dat het ontslag op staande voet ook onverwijld is gegeven en dat de persoonlijke omstandigheden van werknemer niet zo zwaarwegend waren dat die aan ontslag op staande voet in de weg stonden. Verwezen wordt gemakshalve naar de argumentatie van PostNL op dit punt, die de kantonrechter een-op-een kan overnemen en tot de zijne kan maken.