Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19 augustus 2015
ECLI:NL:RBAMS:2015:5388
Business Models Inc. B.V./werkneemster
Werkneemster is sinds 1 maart 2012 bij BMI in dienst. Zij is zwanger met als uitgerekende datum 14 september 2015. Op 1 juni 2015 heeft werkneemster laten weten niet naar kantoor te kunnen komen, omdat zij ziek is. Bij brief van 2 juni 2015 heeft BMI werkneemster op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief wordt het volgende geschreven: ‘Het wegblijven van je werk zonder geldige reden, hetgeen aangemerkt moet worden als werkweigering, alsmede het (meermalen) niet opvolgen van een redelijke instructie van mij, als werkgever, voor een gesprek en het weigeren van contact met mij vormt voor mij een dringende reden om jou op staande voet te ontslaan.’ BMI verzoekt voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair wegens een dringende reden.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil dient beoordeeld te worden of de WWZ of – kort gezegd – de voor 1 juli 2015 geldende wettelijke regeling van toepassing is. Op grond van artikel XXII lid 1 onderdeel b van het Overgangsrecht is de vraag die voorligt of onderhavig ontbindingsverzoek en/of het eveneens aanhangige kort geding gedingen zijn die betrekking hebben op het ontslag op staande voet van 2 juni 2015. Naar het oordeel van de kantonrechter dient die vraag voor beide procedures bevestigend beantwoord te worden. De vordering in kort geding is rechtstreeks afhankelijk van het voorlopig oordeel over de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Het ontbindingsverzoek is ingediend op basis van – grotendeels – hetzelfde feitencomplex als hetgeen aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd en is ingediend voor het geval het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig mocht blijken. Beide procedures hebben aldus betrekking op het ontslag op staande voet. ‘Betrekking hebben op’ betekent volgens het Van Dale Groot woordenboek hedendaags Nederlands ‘gaan over, er verband mee houden’, hetgeen ook een ruim bereik impliceert. Voor een meer beperkte interpretatie ziet de kantonrechter geen aanleiding, al was het maar omdat daarmee het risico ontstaat dat op verschillende procedures die voortvloeien uit hetzelfde ontslag, verschillende regels van toepassing zijn. Dat is nu juist wat overgangsrecht beoogt te voorkomen.
Evenals in het heden te wijzen vonnis in het door werkneemster aanhangig gemaakte kort geding, is de kantonrechter van oordeel dat een grond voor ontslag op staande voet onvoldoende aannemelijk is geworden. De grondslag van het ontslag op staande voet is het wegblijven van het werk zonder geldige reden en het niet opvolgen van redelijke instructies van de werkgever. Anders dan door BMI is betoogd volgt reeds uit de door BMI zelf verzonden e-mail van 28 mei 2015 dat werkneemster zich op dat moment voor 50% ziek heeft gemeld. Dit wordt bovendien bevestigd door het in opdracht van BMI opgemaakte verslag werkplekonderzoek van diezelfde datum. Mede in dat licht kunnen de mededelingen van werkneemster op 1 juni 2015 niet anders begrepen worden dan dat zij zich op dat moment volledig ziek heeft gemeld. Voor zover BMI de ziekte van werkneemster in twijfel heeft getrokken heeft zij die twijfel onvoldoende gemotiveerd, zeker tegen de achtergrond van de vaststaande zwangerschap, de niet betwiste rugklachten en de door werkneemster concreet gemaakte nadere klachten op 1 juni 2015. Bovendien heeft BMI er kennelijk – ondanks dat dit was aangekondigd – niet voor gekozen werkneemster door haar arbodienst te laten controleren. Resteert als grondslag voor ontslag op staande voet het niet opvolgen van redelijke instructies van de werkgever. Nu uit het voorgaande volgt dat werkneemster op 1 en 2 juni 2015 ziek was, kan de instructie van BMI om op die dagen op het werk dan wel op een gesprek te verschijnen niet als redelijk worden beschouwd. Ook op de subsidiaire grondslag (verandering in omstandigheden) – dat is gebaseerd op dezelfde feiten als die welke aan de dringende reden ten grondslag zijn gelegd – is het ontbindingsverzoek niet toewijsbaar. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek.