Rechtspraak
Anthura B.V./werknemer
Op 1 februari 1988 is werknemer bij Anthura in dienst getreden in de functie van selecteur. Anthura veredelt en vermeerdert anthuriums en phalaenopsis voor zowel pot- als snijcultuur. Als bijlage bij de arbeidsovereenkomst is een clausule gevoegd waarboven is vermeld ‘concurrentie-clausule’. op 15 april 1999 heeft werknemer een nieuwe concurrentieclausule ondertekend. Vanaf 1 mei 1998 is werknemer voor Anthura in Duitsland gaan werken als veredelaar van phalaenopsis. Op 3 april 2014 heeft werknemer bericht dat hij als zelfstandige zal gaan werken in het veredelings- en sortimentsadvies in de sierteelt. Centrale vraag is of werknemer het concurrentie- en geheimhoudingsbeding heeft overtreden.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Vast is komen te staan dat werknemer thans als zelfstandig ondernemer via zijn bedrijf Breedit op basis van overeenkomsten van opdracht advieswerkzaamheden verricht met betrekking tot de teelt van phalaenopsis voor een concurrent en voor enkele klanten van Anthura. Het non-concurrentiebeding verbiedt werknemer om gedurende drie jaar na het einde van het dienstverband bij Anthura een dienstbetrekking aan te gaan met een werkgever of diens gelieerd bedrijf, in de anthuriumbranche. Anthura heeft gesteld dat onder de werking van het non-concurrentiebeding niet alleen het gewas anthurium valt, maar ook het gewas phalaenopsis omdat het begrip ‘anthuriumbranche’ in het licht van de concurrentieclausule beide gewassen omvat. Werknemer heeft aangevoerd dat feitelijk sprake is van twee verschillende gewassen waarvan alleen anthurium onder het non-concurrentiebeding valt en niet phalaenopsis en dat het non-concurrentiebeding slechts ziet op het verrichten van werk in dienstbetrekking terwijl hij als zelfstandige werkt. Onder verwijzing naar de arresten Haviltex (HR 13 maart 1981, NJ 1981/635) en DSM/Fox (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427) wordt geoordeeld dat in de eerste plaats ter beoordeling staat of de tekst van het non-concurrentiebeding zowel het werken met anthurium als met phalaenopsis omvat. Hoewel aannemelijk is dat het woord ‘anthuriumbranche’ ruimer is dan enkel het werken als veredelaar ten aanzien van de plant anthurium, strekt dat begrip niet zo ver dat daaronder ook het werken met het gewas phalaenopsis begrepen dient te worden. De enkele stelling dat het niet anders kan zijn dan dat werknemer heeft begrepen dat het non-concurrentiebeding – ondanks het gegeven dat de tekst niet beide gewassen noemt – anthurium en phalaenopsis omvat, is onvoldoende om aan te nemen dat het concurrentiebeding beide gewassen betreft. Dat geldt temeer nu artikel 7:653 BW bepaalt dat een werkgever en een werknemer een non-concurrentiebeding schriftelijk moeten overeenkomen. Een uitbreiding van het non-concurrentiebeding met phalaenopsis betekent een uitbreiding van het beding. Indien Anthura de bedoeling heeft gehad om het beding aldus uit te breiden dat het ook phalaenopsis omvat, had het op haar weg gelegen om die bedoeling duidelijk te maken door phalaenopsis aan het beding toe te voegen of expliciet met werknemer te bespreken dat dit haar bedoeling was. Dit heeft Anthura nagelaten. Daarbij komt dat de veredeling van phalaenopsis op het moment waarop partijen het non-concurrentiebeding zijn aangegaan nog niet lang tot ontwikkeling was gekomen. De stelling van Anthura dat werknemer het geheimhoudingsbeding heeft overtreden, is onvoldoende onderbouwd. Dit geldt ook voor de stelling dat sprake is van onrechtmatige concurrentie. De vorderingen van Anthura worden afgewezen.