Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 augustus 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:6166
werknemer/Jachtbouw 2000 B.V.
Werknemer is in dienst geweest bij Jachtbouw als cascobouwer, laatstelijk tegen een salaris van € 3.938,49 per maand. Op 27 juni 2012 heeft Jachtbouw haar personeel bijeengeroepen en geïnformeerd over het slechte reilen en zeilen van het bedrijf. Bij die gelegenheid heeft de advocaat van Jachtbouw meegedeeld dat er voor al het personeel ontslagaanvragen zijn opgesteld en dat het de bedoeling van gedaagde is aan alle personeelsleden twee maanden salaris ‘mee te geven’ naast de doorbetaling van het salaris tot einde dienstverband. In het begeleidend schrijven staat dat Jachtbouw 2000 het nettobedrag van twee maanden brutoloon zal uitbetalen. In artikel 4 van de beëindigingsovereenkomst is ten aanzien van de afvloeiingsvergoeding het volgende vermeld: ‘Werkgever zal vóór 1 november 2012 ter zake van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een bedrag ineens aan werknemer voldoen gelijk aan het netto bedrag ter hoogte van twee bruto maandsalarissen.’ Werknemer stelt zich op het standpunt dat Jachtbouw 2000 twee brutomaandsalarissen, geheel netto dient uit te keren. De kantonrechter heeft geoordeeld dat uit – met name – het begeleidend schrijven volgt dat sprake was van het netto-equivalent van twee bruto maandsalarissen.
Het hof oordeelt als volgt. De contra-proferentemregel, waarvan werknemer rept, is niet zozeer een regel als wel een gezichtspunt dat binnen de Haviltex-maatstaf een rol speelt, als een der in acht te nemen omstandigheden. De omstandigheid dat de advocaat van Jachtbouw de conceptbeëindigingsovereenkomst heeft opgesteld – hetgeen werknemer schaart onder de contra-proferentemregel – brengt niet met zich dat alleen daarmee uitsluitend nog de grammaticale uitleg van die overeenkomst van belang is (vgl. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7000). Een opzegging van de betrokken arbeidsovereenkomsten met afwachting van de toestemming van het UWV en met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn zou Jachtbouw mogelijk niet kunnen dragen. Daarom werd de beëindigingsovereenkomst met twee maanden ontslagvergoeding (bruto!) daarin als te verkiezen, goedkoper, alternatief voorgesteld. Twee brutomaandsalarissen, geheel netto uitgekeerd, verdubbelt de kosten van deze maatregel ongeveer waardoor het alternatief van de opzeggingsprocedure via het UWV weer goedkoper wordt. Het hof komt derhalve tot dezelfde uitleg als de kantonrechter: gelet op de begeleidende brief die gevoegd was bij de conceptbeëindigingsovereenkomst, had werknemer – mede in het licht van artikel 3:35 BW – niet gerechtvaardigd de conclusie mogen trekken dat artikel 4 van deze overeenkomst zo moet worden uitgelegd dat hem daarbij twee brutomaandsalarissen, geheel netto uit te keren, werden toegezegd, doch moeten begrijpen dat artikel 4 een beëindigingsvergoeding inhield van twee brutomaandsalarissen, waarop nog loonbelasting (en premie ZVW) moest worden ingehouden.