Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 september 2015
ECLI:EU:C:2015:578
Federación de Servicios Privados del sindicato Comisiones obreras (CC.OO.)/Tyco Integrated Security SL
Tyco installeert en onderhoudt in het merendeel van de Spaanse provincies beveiligingssystemen, met name systemen voor inbraakdetectie en -preventie. Deze werknemers hebben elk een bedrijfsvoertuig tot hun beschikking waarmee zij zich dagelijks verplaatsen van hun woonplaats naar de locaties waar zij de installatie- of onderhoudswerkzaamheden aan beveiligingsapparatuur moeten verrichten en waarmee zij aan het einde van hun werkdag naar huis terugkeren. Volgens de verwijzende rechter kunnen de afstanden tussen de woonplaats van deze werknemers en de locaties waar zij hun werkzaamheden moeten verrichten, sterk uiteenlopen en soms meer dan 100 kilometer bedragen. Hij geeft het voorbeeld van een geval waarin de reistijd woonplaats-klanten wegens het drukke verkeer opliep tot drie uur. Tyco beschouwt de reistijd niet als arbeidstijd maar als rusttijd. De verwijzende rechter merkt op dat artikel 34 lid 5 van het werknemersstatuut in de versie van koninklijk wetsbesluit 1/1995 de reistijd woonplaats-klanten niet als arbeidstijd beschouwt. Volgens hem is de Spaanse wetgever met deze benadering uitgegaan van de gedachte dat de werknemer vrij is om te kiezen waar hij woont. De werknemer alléén beslist dus of hij dichter bij of verder weg van zijn werkplek woont, binnen de grenzen van zijn eigen mogelijkheden. De verwijzende rechter zet uiteen dat deze gedachte moet worden genuanceerd voor mobiele werknemers in het wegvervoer. De nationale wetgever is voor deze groep werknemers immers blijkbaar van mening dat hun werkplek het voertuig zelf is, zodat hun reistijd altijd als arbeidstijd wordt beschouwd. De verwijzende rechter vraagt zich af of de situatie van de in het hoofdgeding betrokken werknemers kan worden gelijkgesteld met die van mobiele werknemers in het wegvervoer.
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2 punt 1 van Richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat in omstandigheden als die aan de orde in het hoofdgeding de reistijd woonplaats-klanten van werknemers zonder vaste of gebruikelijke werkplek ‘arbeidstijd’ in de zin van deze bepaling is. Betreffende het begrip ‘arbeidstijd’ in de zin van artikel 2 punt 1 van Richtlijn 2003/88 heeft het Hof bij herhaling geoordeeld dat deze richtlijn dit begrip omschrijft als de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken, en dat dit begrip tegenover de rusttijd staat, welke twee begrippen elkaar uitsluiten (arresten Jaeger, C-151/02, ECLI:EU:C:2003:437, punt 48, en Dellas e.a., C-14/04, ECLI:EU:C:2005:728, punt 42, alsook beschikkingen Vorel, C-437/05, ECLI:EU:C:2007:23, punt 24, en Grigore, C-258/10, ECLI:EU:C:2011:122, punt 42). In deze context moet worden vastgesteld dat deze richtlijn niet voorziet in een tussencategorie tussen arbeidstijden en rusttijden (zie in die zin arrest Dellas e.a., C-14/04, ECLI:EU:C:2005:728, punt 43, alsook beschikkingen Vorel, C-437/05, ECLI:EU:C:2007:23, punt 25, en Grigore, C-258/10, ECLI:EU:C:2011:122, punt 43). Wat het eerste bestanddeel van het begrip ‘arbeidstijd’ in de zin van artikel 2 punt 1 van Richtlijn 2003/88 betreft, volgens hetwelk de werknemer zijn werkzaamheden of functie moet uitoefenen, is het onbetwist dat Tyco, toen zij haar regionale kantoren nog niet had gesloten, wél de tijd tot de arbeidstijd rekende die haar werknemers besteedden aan de reis tussen die kantoren en de locatie van hun eerste en hun laatste klant van de dag, maar níét de tijd die zij nodig hadden om zich aan het begin van de dag van hun woonplaats naar de regionale kantoren te begeven en om aan het einde van de dag van die kantoren terug naar huis te gaan. Het staat overigens vast dat de in het hoofdgeding betrokken werknemers, zolang die kantoren bestonden, daar elke dag naartoe gingen om er het hun door Tyco ter beschikking gestelde voertuig op te halen en hun werkdag te beginnen. Zij beëindigden hun werkdag ook in die kantoren. Zoals de advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie heeft uiteengezet, zijn de reizen die werknemers met een baan als die in het hoofdgeding maken om de door hun werkgever aangeduide klanten te bezoeken, het noodzakelijke instrument om technische werkzaamheden bij die klanten te kunnen uitvoeren. Zou met die reizen geen rekening worden gehouden, dan zou dat ertoe leiden dat een werkgever als Tyco kan claimen dat enkel de tijd die zijn werknemers besteden aan de installatie en het onderhoud van de beveiligingssystemen onder het begrip ‘arbeidstijd’ in de zin van artikel 2 punt 1 van Richtlijn 2003/88 valt. Dat zou tot gevolg hebben dat dit begrip verkeerd wordt voorgesteld en het doel de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen wordt ondermijnd.
Aangaande het tweede bestanddeel van het begrip ‘arbeidstijd’ in de zin van artikel 2 punt 1 van Richtlijn 2003/88, volgens hetwelk de werknemer gedurende deze tijd ter beschikking van de werkgever moet staan, moet onder de aandacht worden gebracht dat beslissend is dat de werknemer fysiek aanwezig moet zijn op de door de werkgever bepaalde plaats en zich er tot diens beschikking moet houden teneinde zo nodig onmiddellijk de adequate prestaties te kunnen verlenen (zie in die zin arrest Dellas e.a., C-14/04, ECLI:EU:C:2005:728, punt 48, alsook beschikkingen Vorel, C-437/05, ECLI:EU:C:2007:23, punt 28, en Grigore, C-258/10, ECLI:EU:C:2011:122, punt 63). Van een werknemer kan dus alleen maar worden gezegd dat hij ter beschikking van zijn werkgever staat, als hij in een situatie wordt gebracht waarin hij juridisch verplicht is de instructies van zijn werkgever te volgen en zijn werkzaamheden voor hem uit te oefenen. In het onderhavige geval blijkt uit de preciseringen die Tyco ter terechtzitting heeft gegeven, dat zij de lijst en de volgorde van de te bezoeken klanten vaststelt – waaraan de in het hoofdgeding betrokken werknemers zich hebben te houden –, alsook het tijdstip van de afspraken bij haar klanten vastlegt. Zij heeft ook uiteengezet dat alle in het hoofdgeding betrokken werknemers weliswaar een mobiele telefoon hebben gekregen waarop zij de dag tevoren hun route ontvangen, maar niet verplicht zijn om die telefoon aan te laten staan tijdens de reistijd woonplaats-klanten. De route om naar die afspraken te gaan wordt dus niet door Tyco bepaald; de betrokken werknemers mogen er volgens een zelf gekozen route naartoe rijden, zodat zij hun reistijd kunnen organiseren zoals zij het zelf willen. Dienaangaande moet worden vastgesteld dat werknemers in een situatie als die aan de orde in het hoofdgeding gedurende de reistijd woonplaats-klanten een zekere vrijheid hebben waarover zij niet beschikken gedurende de tijd waarin zij werkzaamheden bij een klant uitvoeren, zolang zij maar op het door hun werkgever afgesproken tijdstip aankomen bij de aangeduide klant. Uit het dossier in het bezit van het Hof blijkt echter dat deze vrijheid reeds vóór de sluiting van de regionale kantoren bestond, toen de reistijd als arbeidstijd werd aangemerkt vanaf het moment dat de werknemers op het regionale kantoor aankwamen, en dat alleen het vertrekpunt van de route om zich naar die klant te begeven, is veranderd. Een dergelijke verandering wijzigt echter niet de juridische aard van de op die werknemers rustende verplichting om de instructies van hun werkgever te volgen. Tijdens die reizen zijn de werknemers onderworpen aan die instructies van hun werkgever, die de volgorde van de klanten kan wijzigen of een afspraak kan schrappen of toevoegen. Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat de werknemers in kwestie gedurende de tijd die nodig is om de reis te maken – die meestal niet kan worden verkort – niet vrij over hun tijd kunnen beschikken en zich niet met hun eigen zaken kunnen bezighouden, zodat zij ter beschikking van hun werkgevers staan. Tyco, de Spaanse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk hebben de vrees geuit dat dergelijke werknemers het begin en het einde van de werkdag gebruiken voor privédoeleinden. Een dergelijke vrees kan echter niets veranderen aan de juridische kwalificatie van de reistijd. In een situatie als die aan de orde in het hoofdgeding staat het aan de werkgever om te voorzien in controle-instrumenten om eventuele misbruiken te voorkomen.
Wat het derde bestanddeel van het begrip ‘arbeidstijd’ in de zin van artikel 2 punt 1 van Richtlijn 2003/88 betreft, volgens hetwelk de werknemer tijdens de betrokken periode aanwezig moet zijn op het werk, moet worden opgemerkt dat als een werknemer die niet langer een vaste werkplek heeft, zijn functie uitoefent tijdens de rit naar of van een klant, er ook van moet worden uitgegaan dat die werknemer tijdens die reis op het werk aanwezig is. Zoals de advocaat-generaal in punt 48 van zijn conclusie heeft uiteengezet, kan de werkplek van werknemers zonder vaste of gebruikelijke werkplek niet worden beperkt tot de plaatsen, op de locaties van de klanten van hun werkgever, waar zij hun werkzaamheden concreet uitvoeren, aangezien het reizen wezenlijk verbonden is met de hoedanigheid van die werknemers. Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het feit dat werknemers in een situatie als die aan de orde in het hoofdgeding dergelijke reizen aanvatten en beëindigen in hun woonplaats, aangezien dit het rechtstreekse gevolg is van het besluit van hun werkgever om de regionale kantoren af te schaffen, en niet van hun eigen wil. Daar deze werknemers de afstand tussen hun woonplaats en de plaats waar hun werkdag gewoonlijk begint en eindigt, niet langer vrij kunnen kiezen, kunnen zij niet worden verplicht de gevolgen te dragen van de keuze van hun werkgever om die kantoren te sluiten. Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 2 punt 1 van Richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat in omstandigheden als die aan de orde in het hoofdgeding, de tijd die werknemers zonder vaste of gebruikelijke werkplek dagelijks besteden aan de reis tussen hun woonplaats en de locatie van de door hun werkgever aangeduide eerste en laatste klant, ‘arbeidstijd’ in de zin van deze bepaling is.