Rechtspraak
Unland/Land Berlin
Unland, geboren op 19 februari 1976, is rechter in dienst van het Land Berlin. Hij is onder vigeur van de oude federale wet betreffende de bezoldiging van de ambtenaren in dienst getreden op de leeftijd van 29 jaar en is op 1 augustus 2011 in het nieuwe bezoldigingsstelsel ingedeeld overeenkomstig de bepalingen van het BerlBesÜG. Volgens Unland zijn zowel de oude als de nieuwe regeling in strijd met het Unierecht, omdat daarin onderscheid wordt gemaakt op grond van leeftijd (de inschaling werd afhankelijk gesteld van een bepaalde leeftijd).
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Met haar eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of Richtlijn 2000/78 in die zin moet worden uitgelegd dat zij ook geldt voor de bezoldiging van de rechters. Niet alleen uit § 38 lid 1 van de oude federale wet betreffende de bezoldiging van de ambtenaren, volgens welke het basissalaris naar leeftijdsklassen wordt berekend, maar ook uit lid 2 van die paragraaf blijkt dat, indien de rechter of officier van justitie in dienst wordt genomen nadat hij 35 jaar is geworden, voor de berekening van het basissalaris wordt uitgegaan van een referentieleeftijd die tot en met 35 jaar overeenkomt met de reële leeftijd en daarboven wordt vermeerderd met de helft van de volle jaren tussen het tijdstip waarop de rechter of officier van justitie 35 jaar is geworden, en het tijdstip van zijn indiensttreding. Verder bepaalde lid 3 van die paragraaf dat rechters en officieren van justitie die nog geen 27 jaar zijn, het aanvangsbasissalaris van hun salarisgroep ontvangen totdat zij de leeftijd voor overgang in de leeftijdsklassen hebben bereikt. Bij de indienstneming van een rechter werd diens basissalaris dus uitsluitend bepaald naar de leeftijdsklasse waarin de betrokkene zich bevond. In zijn arrest Specht e.a. (C-501/12–C-506/12, C-540/12 en C-541/12, ECLI:EU:C:2014:2005) heeft het Hof al vragen behandeld die identiek zijn aan de tweede en derde vraag in de onderhavige zaak, en het antwoord dat het Hof in dat arrest heeft gegeven, kan dus ten volle worden overgenomen voor de vragen die de verwijzende rechterlijke instantie in het hoofdgeding heeft gesteld. In de punten 39 tot en met 51 van dat arrest heeft het Hof immers onderzocht of de oude federale wet betreffende de bezoldiging van de ambtenaren een discriminatie in de zin van artikelen 2 en 6 lid 1, van Richtlijn 2001/78 inhield, en het is tot de bevinding gekomen dat dit het geval was omdat de indeling van de ambtenaren in een basissalaristrap op basis van de leeftijd bij indiensttreding verder ging dan nodig was om de legitieme doelstelling van die wet te bereiken. De omstandigheid dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen tot doel hadden de beroepservaring en/of sociale vaardigheid van de rechters te belonen, is dienaangaande niet relevant. In die omstandigheden dient op de tweede en derde vraag te worden geantwoord dat artikelen 2 en 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 in die zin moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling, als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan bij de indiensttreding van een rechter diens basissalaristrap uitsluitend op basis van zijn leeftijd wordt bepaald.
Met haar zesde en haar zevende vraag, die samen dienen te worden behandeld, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of de artikelen 2 en 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 in die zin moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling, als aan de orde in het hoofdgeding, houdende vaststelling van de wijze waarop de reeds in vaste dienst aangestelde rechters in een nieuw bezoldigingsstelsel worden ingedeeld, volgens welke de salaristrap waarin dezen voortaan zullen worden ingedeeld, uitsluitend wordt bepaald door het bedrag van het basissalaris dat zij volgens het oude bezoldigingsstelsel ontvingen, ofschoon dit laatste een discriminatie op grond van leeftijd inhield. De verwijzende rechterlijke instantie wenst in het bijzonder te vernemen of het verschil in behandeling dat deze wettelijke regeling zou inhouden, kan worden gerechtvaardigd door het doel de verworven rechten te beschermen. Wat enerzijds de door de verwijzende rechterlijke instantie aangevoerde bescherming van de verworven rechten betreft, staat vast dat de bescherming van door een categorie van personen verworven rechten een dwingende reden van algemeen belang vormt (arrest Specht e.a., C-501/12–C-506/12, C-540/12 en C-541/12, ECLI:EU:C:2014:2005, punt 64). Anderzijds heeft het Hof al vastgesteld dat een wet als het BerlBesÜG de nagestreefde doelstelling – verzekeren dat de verworven rechten worden gehandhaafd – kan verwezenlijken (arrest Specht e.a., C-501/12–C-506/12, C-540/12 en C-541/12, ECLI:EU:C:2014:2005, punten 64-68). Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de nationale wetgever niet verder is gegaan dan noodzakelijk was om de nagestreefde doelstelling te bereiken door de bij het BerlBesÜG ingevoerde afwijkende overgangsmaatregelen vast te stellen (arrest Specht e.a., C-501/12–C-506/12, C-540/12 en C-541/12, ECLI:EU:C:2014:2005, punten 69-85). Door vaststelling van het BerlBesÜG heeft de nationale wetgever het bezoldigingsstelsel van de ambtenaren en rechters van het Land Berlin herschikt. Deze wet voorziet, ter handhaving van de verworven rechten van de reeds in vaste dienst aangestelde rechters, in een overgangsregeling volgens welke deze rechters onmiddellijk in een salaristrap of een overgangstrap zijn heringedeeld (arrest Specht e.a., C-501/12–C-506/12, C-540/12 en C-541/12, ECLI:EU:C:2014:2005, punten 72 en 73). Daarbij komt dat, aangezien § 38 van de oude federale wet betreffende de bezoldiging van de ambtenaren van toepassing was op elke rechter van het Land Berlin bij diens indiensttreding, de discriminatie die daaruit voortvloeide, potentieel al deze rechters trof (arrest Specht e.a., C-501/12–C-506/12, C-540/12 en C-541/12, ECLI:EU:C:2014:2005, punt 96). Hieruit dient dus te worden geconcludeerd dat er binnen de oude federale wet betreffende de bezoldiging van de ambtenaren geen geldig referentiestelsel bestond en dat, anders dan verzoeker in het hoofdgeding stelt, er geen categorie van ‘jonge rechters’ die door deze wet en door het BerlBesÜG worden benadeeld, en evenmin een categorie van door deze wetten bevoordeelde ‘oudere rechters’ bestaat. Bovendien moet deze wijze van herindeling verenigbaar worden geacht met de uit artikel 16 onderdeel a van Richtlijn 2000/78 voortvloeiende verplichting voor de lidstaten om de nodige maatregelen te nemen om er zorg voor te dragen dat alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die met het beginsel van gelijke behandeling in strijd zijn, worden afgeschaft. Bijgevolg dient op de zesde en de zevende vraag te worden geantwoord dat de artikelen 2 en 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 in die zin moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling, als aan de orde in het hoofdgeding, houdende vaststelling van de wijze waarop de reeds in vaste dienst aangestelde rechters in een nieuw bezoldigingsstelsel worden ingedeeld, volgens welke de salaristrap waarin dezen voortaan zullen worden ingedeeld, uitsluitend wordt bepaald door het bedrag van het basissalaris dat zij volgens het oude bezoldigingsstelsel ontvingen, ofschoon dit laatste een discriminatie op grond van leeftijd inhield, voor zover het verschil in behandeling dat deze wettelijke regeling inhoudt, kan worden gerechtvaardigd door het doel de verworven rechten te beschermen.
Met haar negende en haar tiende vraag, die samen dienen te worden behandeld, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of de artikelen 2 en 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 in de zin moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling, als aan de orde in het hoofdgeding, houdende vaststelling van de wijze waarop de reeds in vaste dienst aangestelde rechters in een nieuw bezoldigingsstelsel worden ingedeeld, volgens welke de rechters die op de peildatum voor de overgang naar het nieuwe stelsel een bepaalde leeftijd hadden bereikt, vanaf een bepaalde salaristrap sneller salarisverhoging krijgen dan de rechters die op de peildatum voor de overgang naar het nieuwe stelsel die leeftijd nog niet hadden bereikt. De verwijzende rechterlijke instantie wenst in het bijzonder te vernemen of het verschil in behandeling dat deze wettelijke regeling zou inhouden, kan worden gerechtvaardigd. Volgens de Duitse regering moet deze wijziging, die de rechters tussen 31 en 39 jaar bevoordeelt, worden gezien als een bonus voor het feit dat de beroepservaring bijzonder snel toeneemt tijdens de eerste jaren van beroepsactiviteit, maar ook als een middel om te voorzien in de behoeften van de rechters in een levensfase waarin dezen volgens die regering doorgaans de hoogste kosten moeten bestrijden. Bovendien zou bevordering van de reeds in vaste dienst aangestelde rechters die op een vrij gevorderde leeftijd, te weten vanaf leeftijdsklasse 7 van het oude stelsel, zijn heringedeeld, worden vertraagd door toepassing van de nieuwe bevorderingscurve. Om dit effect te compenseren is de respectieve duur van de salaristrappen voor deze categorie met een jaar verkort. Op een door het Hof ter terechtzitting geformuleerd verzoek om nadere toelichting heeft deze regering geantwoord dat de ingewikkeldheid van dit systeem voortvloeit uit het feit dat de wetgever ervoor heeft willen zorgen dat de indeling in het nieuwe bezoldigingsstelsel voor geen enkele categorie van rechters overdreven voordelen of overdreven nadelen meebrengt. Op grond van een en ander dient te worden geoordeeld dat het, gelet op de ruime beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken, niet alleen bij de keuze van het doel van sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid dat deze specifiek willen nastreven, maar ook bij het bepalen van de maatregelen waarmee dat doel kan worden verwezenlijkt, voor de nationale wetgever niet onredelijk was § 6 van het BerlBesÜG vast te stellen voor het doel dat hij nastreefde. Gelet op een en ander dient op de negende en de tiende vraag te worden geantwoord dat de artikelen 2 en 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 in die zin moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling, als aan de orde in het hoofdgeding, houdende vaststelling van de wijze waarop de reeds in vaste dienst aangestelde rechters in een nieuw bezoldigingsstelsel worden ingedeeld, volgens welke de rechters die op de peildatum voor de overgang naar het nieuwe stelsel een bepaalde leeftijd hadden bereikt, vanaf een bepaalde salaristrap sneller salarisverhoging krijgen dan de rechters die op de peildatum voor de overgang naar het nieuwe stelsel die leeftijd nog niet hadden bereikt, voor zover het verschil in behandeling dat deze wettelijke regeling inhoudt, kan worden gerechtvaardigd in de zin van artikel 6 lid 1 van deze richtlijn.