Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Lukoil Benelux B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 9 september 2015
ECLI:NL:RBROT:2015:6433

X/Lukoil Benelux B.V.

Ontslag statutair bestuurder. Het op grond van artikel 2:15 lid 3 BW vereiste redelijk belang bij vordering ontbreekt.

X is per 31 augustus 2005 benoemd als statutair bestuurder van Lukoil. Op 23 december 2013 is buiten vergadering een besluit genomen tot ontslag van X als statutair bestuurder per 1 januari 2014 (hierna: het Besluit). Op 31 maart 2015 is in vergadering een besluit genomen tot ontslag van X als statutair bestuurder (hierna: het tweede ontslagbesluit) per de datum van het besluit. Bij beschikking van 14 juli 2015 is de arbeidsovereenkomst tussen X en Lukoil Personnel ontbonden per 15 juli 2015, voor het geval in rechte komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet reeds is beëindigd door het eindigen van het statutair bestuurderschap. X vordert het aandeelhoudersbesluit van 23 december 2013 te vernietigen. X legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn raadgevende stem uit te brengen. Er is daarmee gehandeld in strijd met de wet en artikel 14 lid 3 van de statuten, zodat het Besluit vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 aanhef en onderdeel a BW. Tussen partijen is verder in geschil of X belang heeft bij zijn vordering.

De rechtbank oordeelt als volgt. Voor zover Y met X heeft besproken dat hij zou worden ontslagen als statutair bestuurder, wat door X is betwist, is deze mededeling van iemand die geen lid is van enig orgaan van Lukoil, onvoldoende om te kunnen worden beschouwd als een uitnodiging om op dat moment het advies uit te brengen in de zin van artikel 2:238 lid 2 BW. Gesteld noch gebleken is dat X op enig moment is geïnformeerd wanneer de formele besluitvorming zou plaatsvinden of vóór welke datum hij zijn advies bij het daarvoor aangewezen orgaan zou kunnen uitbrengen. Het achterwege laten van een formeel moment van adviseren kan niet worden gerechtvaardigd doordat vóór het Besluit geruime tijd met X zou zijn gesproken over een mogelijke beëindiging van zijn dienstverband en van het statutair bestuurderschap, noch door de enkele stelling dat een advies van X geen invloed zou hebben op de besluitvorming. X kan dan ook worden gevolgd in de stelling dat het Besluit niet conform de wet en de statuten tot stand is gekomen.

De omstandigheid dat niet de juiste procedure is gevolgd, is echter niet voldoende voor toewijzing van de vordering. Uit het bepaalde in artikel 3:303 BW en artikel 2:15 lid 3 BW blijkt dat X zowel belang dient te hebben bij de door hem ingestelde vordering als bij nakoming van de beweerdelijk overtreden regel. Volgens X is dit belang gegeven nu Lukoil Personnel zich op het standpunt stelt dat de arbeidsovereenkomst eindigt als gevolg van het Besluit. Bovendien is het voor X van belang om te weten of hij als bestuurder per 1 januari 2014 nog externe verantwoordelijkheid draagt als statutair bestuurder van Lukoil. De rechtbank oordeelt dat dit belangen zijn als bedoeld in artikel 3:303 BW. Ter zitting heeft X toegelicht dat hij alternatieven naar voren had kunnen brengen en op zijn persoonlijke situatie had kunnen wijzen als hij in de gelegenheid was gesteld om bij de juiste personen en bij de juiste organen zijn advies naar voren te brengen. Hoewel hierin een belang als bedoeld in artikel 2:15 lid 3 BW kan zijn gelegen, is daarvan in dit geval geen sprake. Er is tussen X enerzijds en Lukoil, dan wel Lukoil Personnel anderzijds, geruime tijd uitgebreid gesproken over een (mogelijke) beëindiging van het dienstverband. X was ermee bekend dat het dienstverband het arbeidsrechtelijke vehikel was ten behoeve van zijn positie als statutair bestuurder van Lukoil. X had dan ook moeten begrijpen dat deze gesprekken en de Order evenzeer betrekking hadden op de beëindiging van zijn functie als statutair bestuurder. Dit geldt te meer nu in de Order expliciet is verwezen naar zijn functie als statutair bestuurder en zijn plaatsing bij Lukoil. Afgezien van de algemene stelling van X dat hij negatief zou hebben geadviseerd over het voorgenomen Besluit als hij daartoe in de gelegenheid was gesteld, is gesteld noch gebleken wat het advies zou inhouden en dat dit advies invloed zou kunnen hebben gehad op de besluitvorming. Dat zijn advies invloed zou hebben gehad op de besluitvorming acht de rechtbank niet aannemelijk. Inmiddels is een tweede ontslagbesluit genomen waarbij onbetwist is voldaan aan de wettelijke en statutaire vereisten. Van herstel van het statutair bestuurderschap zal reeds daarom geen sprake meer zijn. X kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij er belang bij heeft te weten of hij nog externe verantwoordelijkheid draagt. Zolang het Besluit niet door de rechtbank wordt vernietigd, bestaat daarover geen enkele onzekerheid. Het is echter juist X zelf geweest die vernietiging van het Besluit heeft gevorderd. Met het tweede ontslagbesluit, waarvan de rechtsgeldigheid door X is erkend, en de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst staat vast dat zowel de vennootschapsrechtelijke functie van X als statutair bestuurder van Lukoil als de arbeidsovereenkomst met Lukoil Personnel inmiddels onherroepelijk zijn beëindigd. Er is geen grond voor toewijzing van de gevorderde wedertewerkstelling. Volgt afwijzing van de vorderingen.