Rechtspraak
Hoge Raad, 18 september 2015
ECLI:NL:HR:2015:2746
werknemer/Stichting Samenwerking Voortgezet Onderwijs in de regio Steenwijk
A heeft naar aanleiding van een vacaturemelding door de Stichting voor de tijdelijke vervulling van de functie docent wiskunde, natuurkunde en technische informatiekunde gesolliciteerd. Naar aanleiding van die sollicitatie heeft op vrijdag 4 november 2011 een gesprek plaatsgevonden tussen afdelingsleider X en een collega (namens de Stichting) en A. Diezelfde dag, of de dag daarop is door X aan A meegedeeld dat hij als eerste op de voordracht stond. Daarbij is afgesproken dat hij zich op maandag 7 november 2011 zou vervoegen op een van de locaties van de Stichting. Na een rondleiding door de school en een voorstelrondje aan de andere docenten, heeft A met de personeelsfunctionaris Y gesproken. Y heeft tegen A gezegd dat er alleen op basis van een payrollconstructie zou worden gewerkt. A stemde niet in met deze constructie. A heeft vervolgens tal van papieren (reisopgave, loonbelasting, e.d.) meegekregen. Omdat A weigerde mee te werken aan de payrollconstructie, is hem de toegang tot de school ontzegd. De centrale vraag is of partijen een arbeidsovereenkomst met elkaar hebben gesloten. Het hof heeft deze vraag onder verwijzing naar Van Gorkum/LRV ontkennend beantwoord en geoordeeld dat geen overeenstemming was over de essentialia van de arbeidsovereenkomst.
De advocaat-generaal (Spier) concludeert als volgt. Met de eerste klacht stelt werknemer dat wel degelijk overeenstemming was bereikt over de essentialia van de arbeidsovereenkomst, of in ieder geval een rompovereenkomst. Voorts stelt werknemer dat door het handelen van de Stichting in ieder geval een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat overeenstemming was bereikt over de essentialia. De A-G verwerpt deze klachten omdat ze van feitelijke aard zijn en niet (voldoende) is onderbouwd waarom het oordeel van het hof onbegrijpelijk zou zijn op deze punten.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.