Rechtspraak
X/Y
X was vanaf 18 juni 2001 tot en met 13 juli 2015 bestuurder van Y. X vordert loondoorbetaling vanaf 1 juli 2015. Hij legt daaraan het volgende ten grondslag. Het op 13 juli 2015 gegeven ontslag op staande voet van X als werknemer en als bestuurder is onregelmatig gegeven. Ter onderbouwing van deze stelling voert X aan dat het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: AVA) van Y genomen is in strijd met de wet, reden waarom X de vernietiging van dit besluit inroept op grond van artikel 2:15 lid 1 onderdeel a en b BW. X stelt dat ten eerste de (statutaire) voorschriften omtrent de termijn voor en de wijze van oproeping voor de AVA niet in acht zijn genomen, ten tweede dat X niet in de gelegenheid is gesteld zijn raadgevende stem, zoals bedoeld in artikel 2:227 lid 7 BW, uit te brengen en voorts, ten derde, dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord op het voornemen tot zijn ontslag.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Of voor de AVA van Y van 13 juli 2015 de (statutaire) voorschriften omtrent de termijn voor en de wijze van oproeping voor de AVA in acht zijn genomen behoeft geen beoordeling omdat vaststaat dat X niet is uitgenodigd voor die AVA en dat X niet is gehoord omtrent het ontslagbesluit. Het besluit tot ontslag van X als bestuurder van Y is niet op rechtsgeldige wijze tot stand gekomen en is ingevolge artikel 2:15 BW vernietigbaar. Vooruitlopend op het oordeel van de bodemrechter wordt de loonvordering toegewezen. Het beroep van Y op verrekening van het door X gevorderde loon enerzijds en anderzijds volgens Y onverschuldigd betaalde vakantiedagen, dan wel met een niet nader geconcretiseerde gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:677 lid 2 BW, wordt verworpen. De gegrondheid van het verrekeningsverweer is in het bestek van dit kort geding niet eenvoudig vast te stellen, partijen verschillen immers van mening over de juistheid van de gevoerde vakantiedagenadministratie, de mogelijkheid om tijdens dienstverband tot vergoeding van vakantiedagen over te gaan, de bevoegdheid van X om vakantiedagen uit te betalen en diverse andere punten. Gelet hierop wordt de vordering van X onder toepassing van artikel 6:136 BW toegewezen.