Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 28 januari 2015
ECLI:EU:C:2015:46
Gimnasio Deportivo San Andrés SL/Tesorería General de la Seguridad Social (TGSS)
In deze zaak staat de vraag centraal welke schulden van de vervreemder mee overgaan bij een overgang van onderneming naar de verkrijger in het geval de vervreemder in een liquidatieprocedure verwikkeld is. Volgens het Spaanse recht leidt de overgang van een onderneming, vestiging of zelfstandige productie-eenheid van die onderneming niet automatisch tot beëindiging van de arbeidsbetrekking; de nieuwe werkgever treedt in de rechten en verplichtingen van de vorige werkgever uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en de sociale zekerheid, met inbegrip van de pensioenverplichtingen, onder de in de toepasselijke bijzondere regeling gestelde voorwaarden en, in het algemeen, in alle verplichtingen inzake aanvullende sociale bescherming die de vervreemder is aangegaan. Onder bepaalde condities ingevolge de Spaanse faillissementswet kan de rechter beslissen dat de verkrijger niet wordt gesubrogeerd in de onbetaalde salarissen of schadevergoedingen die reeds vóór de overgang opeisbaar waren en die overeenkomstig artikel 33 van het werknemersstatuut voor rekening van het Fondo de Garantía Salarial (loonwaarborgfonds) komen. Verder kunnen de overnemer en de vertegenwoordigers van het personeel, met het oog op de voortzetting van het bedrijf in de toekomst en het behoud van de werkgelegenheid, overeenkomsten tot wijziging van de collectieve arbeidsvoorwaarden sluiten. In de Algemene Socialezekerheidswet is bepaald dat indien de werkgever een vennootschap of een entiteit is die ontbonden en geliquideerd is, haar niet voldane bijdrageschulden aan de sociale zekerheid overgaan op de vennoten of aandeelhouders, die binnen de grenzen van het aan hen toekomende liquidatiesaldo hoofdelijk gehouden zijn die te voldoen. In casu gaat het om Gimnasio, een school met 150 leerlingen, die in een insloventieprocedure verwikkeld is geraakt. Sant Andreu heeft de school overgenomen en de werknemers een arbeidsovereenkomst aangeboden. In de overnamevoorwaarden is bepaald dat bepaalde schulden niet mee overgaan. Op 25 oktober 2013 heeft de TGSS bezwaar gemaakt tegen het overdrachtsbesluit van 15 oktober 2013, stellende dat dit besluit artikel 44 van het werknemersstatuut schendt door te bepalen dat de socialezekerheidsschulden van Gimnasio niet overgaan op de verkrijger. De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of Richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, die bepaalt of toestaat dat bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen waarbij de vervreemder in een insolventieprocedure is verwikkeld, de verkrijger niet hoeft in te staan voor de schulden die op de vervreemder rusten uit hoofde van arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen, met inbegrip van die welke verband houden met het wettelijk stelsel van sociale zekerheid, voor zover deze schulden zijn ontstaan vóór de datum van overgang van de productieeenheid. De verwijzende rechter wenst eveneens te vernemen of het dienaangaande relevant is dat de arbeidsbetrekkingen vóór die datum zijn beëindigd.
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Deze beschermingsregels moeten als dwingend worden beschouwd zodat de lidstaten er niet van mogen afwijken in een voor de werknemers ongunstige zin (zie in die zin arrest Commissie/Italië, C-561/07, ECLI:EU:C:2009:363, punt 46), behoudens de bij deze richtlijn vastgestelde uitzonderingen. In de eerste plaats kunnen de lidstaten krachtens artikel 3 lid 3 tweede alinea van Richtlijn 2001/23 het tijdvak beperken waarin de arbeidsvoorwaarden moeten worden gehandhaafd, mits dit tijdvak niet korter is dan één jaar. In de tweede plaats bepaalt artikel 3 lid 4 onderdeel a van die richtlijn dat de leden 1 en 3 van dat artikel, tenzij de lidstaten anders bepalen, niet van toepassing zijn op de rechten van de werknemers op ouderdomsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen uit hoofde van voor één of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen die bestaan naast de wettelijke stelsels van sociale zekerheid van de lidstaten. Bijgevolg kunnen enkel de buiten de wettelijke stelsels van sociale zekerheid toegekende uitkeringen die limitatief zijn opgesomd in artikel 3 lid 4 onderdeel a van Richtlijn 2001/23, aan de verplichting van overgang van de rechten van de werknemers worden onttrokken (arrest Commissie/Italië, ECLI:EU:C:2009:363, punt 32). In de derde plaats mogen de lidstaten overeenkomstig artikel 4 lid 1 tweede alinea van Richtlijn 2001/23 van de eerste alinea van die bepaling afwijken door te bepalen dat de in die eerste alinea neergelegde voorschriften inzake ontslag niet van toepassing zijn op bepaalde welomschreven categorieën werknemers waarop de wettelijke voorschriften of het gebruik van de lidstaten inzake bescherming tegen ontslag geen betrekking hebben. In de vierde plaats bepaalt artikel 5 lid 1 van Richtlijn 2001/23 dat de artikelen 3 en 4 van deze richtlijn in beginsel niet van toepassing zijn op een overgang van een onderneming wanneer de vervreemder verwikkeld is in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke insolventieprocedure die is ingeleid om het vermogen van de vervreemder onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie te liquideren. Bijgevolg kan die lidstaat, in afwijking van artikel 3 lid 1 van Richtlijn 2001/23, krachtens artikel 5 lid 2 onderdeel a en b van deze richtlijn bepalen dat de schulden van de vervreemder die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen en die verschuldigd zijn vóór de overgang of vóór de inleiding van de insolventieprocedure, niet overgaan op de verkrijger, op voorwaarde dat die procedure op grond van de wetgeving van die lidstaat een bescherming biedt die minstens gelijkwaardig is aan die welke wordt geboden door Richtlijn 80/987 en/of dat, voor zover de wetgeving of de gangbare praktijk dat toestaat, de arbeidsvoorwaarden bij overeenkomst kunnen worden gewijzigd om de werkgelegenheid te behouden door het voortbestaan van de onderneming te verzekeren.
Tot slot zij erop gewezen dat hoewel de in die richtlijn geformuleerde beschermingsregels behoudens de in die richtlijn uitdrukkelijk neergelegde uitzonderingen dwingend zijn, artikel 8 van de richtlijn bepaalt dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan het recht van de lidstaten om een voor de werknemers gunstigere regeling toe te passen of in te voeren. Uit de voorgaande overwegingen volgt in de eerste plaats dat Richtlijn 2001/23 voorziet in de basisregel dat op de verkrijger overgaan de rechten en verplichtingen uit een op de datum van de overgang van een onderneming bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking tussen de werknemer en de vervreemder. Zoals blijkt uit de bewoordingen en de structuur van artikel 3 van die richtlijn, omvat de overdracht aan de verkrijger van de schulden die ten tijde van de overgang van een onderneming op de vervreemder rusten, doordat hij werknemers in dienst heeft, alle rechten van deze werknemers, voor zover zij niet vallen onder een uitdrukkelijk in die richtlijn neergelegde uitzondering (zie naar analogie arrest Beckmann, C-164/00, ECLI:EU:C:2002:330, punten 36 en 37). Behoren bijgevolg tot die schulden niet alleen de salarissen en andere emolumenten die zijn verschuldigd aan de werknemers van de betrokken onderneming, maar ook de door de vervreemder verschuldigde bijdragen aan het wettelijk stelsel van de sociale zekerheid, aangezien een dergelijke schuld voortvloeit uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen met die vervreemder. Zoals ook uit artikel 2 lid 1 van Richtlijn 2001/23 volgt, impliceert een arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking volgens die richtlijn immers een rechtsverhouding tussen de werkgevers en de werknemers waarbij de arbeidsvoorwaarden worden geregeld (arrest Kirtruna en Vigano, ECLI:EU:C:2008:574, punt 41). In de tweede plaats geldt die basisregel overeenkomstig artikel 5 lid 1 van die richtlijn niet voor het geval, zoals in het hoofdgeding, waarin de vervreemder in een insolventieprocedure is verwikkeld en onder het toezicht staat van een bevoegde overheidsinstantie van de betrokken lidstaat. In dat geval wordt de betaling van de uit de betrekking met de werkgever in staat van insolventie voortvloeiende vorderingen van de werknemers immers gewaarborgd door Richtlijn 80/987. In de derde plaats staat artikel 5 lid 1 van Richtlijn 2001/23, ondanks die in Richtlijn 2001/23 vastgestelde uitzondering, elke lidstaat toe om met name artikel 3 van die richtlijn toe te passen op een overgang van een onderneming in het kader van een tegen de vervreemder ingeleide insolventieprocedure. Voor het geval een lidstaat gebruikmaakt van die mogelijkheid bepaalt artikel 5 lid 2 onderdeel a dat van artikel 3 lid 1 van die richtlijn aldus kan worden afgeweken dat de schulden van de vervreemder die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen en die verschuldigd zijn vóór de overgang of vóór de inleiding van de insolventieprocedure, niet overgaan op de verkrijger, evenwel op voorwaarde dat in die lidstaat een bescherming bestaat die ten minste gelijkwaardig is aan die welke wordt geboden door Richtlijn 80/987, welke richtlijn de instelling vereist van een mechanisme dat de betaling waarborgt van de schulden aan de werknemers uit hoofde van arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen met de insolvente werkgever. Met deze afwijkingsmogelijkheid kan niet alleen de betaling van de lonen van de betrokken werknemers worden gewaarborgd, maar kan ook de werkgelegenheid veilig worden gesteld door het voortbestaan van de onderneming in moeilijkheden te verzekeren. Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat Richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat:
– wanneer de vervreemder bij overgang van een onderneming in een insolventieprocedure is verwikkeld onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie en de betrokken lidstaat ervoor heeft gekozen gebruik te maken van artikel 5 lid 2 van die richtlijn, deze richtlijn niet eraan in de weg staat dat deze lidstaat bepaalt of toestaat dat de schulden van de vervreemder die bestaan op de datum van de overgang of van de inleiding van de insolventieprocedure en die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen, met inbegrip van die welke verband houden met het wettelijk stelsel van sociale zekerheid, niet overgaan op de verkrijger, op voorwaarde dat die procedure de werknemers een bescherming biedt die minstens gelijkwaardig is aan die welke wordt geboden door Richtlijn 80/987. Niets belet echter dat deze lidstaat bepaalt dat dergelijke schulden ook bij insolventie van de vervreemder door de verkrijger moeten worden gedragen;
– behoudens het bepaalde in artikel 3 lid 4 onderdeel b die richtlijn niet voorziet in verplichtingen met betrekking tot de schulden van de vervreemder die voortvloeien uit vóór de datum van overgang beëindigde arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen, maar niet eraan in de weg staat dat de regeling van de lidstaten toestaat dat dergelijke schulden overgaan op de verkrijger.