Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Taxiwerq Chauffeursbemiddelingsbureau B.V.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 29 september 2015
ECLI:NL:RBNNE:2015:4459

werknemer/Taxiwerq Chauffeursbemiddelingsbureau B.V.

Geen opvolgend werkgeverschap op grond van Van Tuinen-arrest. Werknemer heeft geen recht op transitievergoeding, omdat de arbeidsovereenkomst niet ten minste 24 maanden heeft geduurd.

Werknemer is per 1 januari 1999 in dienst getreden bij een van de ondernemingen van de Oenema Groep. Per 1 maart 2006 is hij in dienst getreden bij Oenema Transport. In elk geval vanaf 2011 heeft werknemer uitsluitend nog chauffeurswerkzaamheden voor Oenema Transport verricht. Oenema Transport is per 2 oktober 2014 in staat van faillissement verklaard. Werknemer is met ingang van 15 november 2014 in dienst getreden van Taxiwerq AD, zulks in de functie van taxichauffeur. Feitelijk verrichtte werknemer deze werkzaamheden ten behoeve van Taxi Witteveen Lemmer als zogeheten standplaatshouder. In deze arbeidsovereenkomst is de CAO Taxi van toepassing verklaard. Aansluitend op de arbeidsovereenkomst met Taxiwerq AD is werknemer met ingang van 1 juni 2015 in dienst getreden van Taxiwerq CBB, op basis van een uitzendovereenkomst fase 2 bepaalde tijd, tot en met 5 juli 2015, zulks (eveneens) in de functie van taxichauffeur. In deze arbeidsovereenkomst is de NBBU-CAO van toepassing verklaard, met inschaling en beloning conform de CAO Taxi. Als werkplek is in de arbeidsovereenkomst genoemd Taxi Witteveen Lemmer. Vanaf 6 juli 2015 heeft werknemer geen werkzaamheden voor Taxiwerq CBB meer verricht. Werknemer heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van opvolgend werkgeverschap, waardoor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Werknemer verzoekt Taxiwerq CBB (voorwaardelijk) te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 12.276,14 bruto.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (art. 7:686 lid 4 onderdeel b BW). De voorwaarde waaronder het verzoek is ingesteld, is vervuld, nu in het kortgedingvonnis dat tussen partijen heden is gewezen, is overwogen dat de arbeidsverhouding van partijen per 6 juli 2015 is geëindigd (zie AR 2015-0939). Anders dan Taxiwerq CBB (veronder)stelt, is er in haar brief van 3 juni 2015 geen sprake van een opzegging van het dienstverband tegen 6 juli 2015, maar van een aanzegging dat de arbeidsovereenkomst per die datum (van rechtswege) eindigt. Het overgangsrecht van de WWZ is hierop dan ook niet van toepassing. Geen overgangsrecht bestaat voor het geval een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die vóór 1 juli 2015 is aangegaan, zoals hier, na 1 juli 2015 (van rechtswege) eindigt. Daarop is artikel 7:673 BW inzake de transitievergoeding gewoonweg van toepassing. Uit het kortgedingvonnis dat heden is gewezen tussen partijen volgt dat er geen sprake is van opvolgend werkgeverschap tussen Oenema en Taxiwerq (AD en daarna CBB). Daarmee is bij Taxiwerq CBB niet voldaan aan de 24 maandeneis van artikel 7:673 lid 1 BW en komt werknemer mitsdien niet in aanmerking voor een transitievergoeding. Volgt afwijzing van het verzoek.