Rechtspraak
X/Y
X verricht sedert september 2014 werkzaamheden voor Y. In de periode daarvan bestond tussen X en Y een samenwerking in de vorm van een VOF, maar daar is X uitgestapt. X is op staande voet ontslagen, omdat hij Y zou hebben geslagen. X beroept zich op de vernietigbaarheid van het ontslag en vordert loondoorbetaling.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen is in geschil – een door beide partijen ondertekende schriftelijke overeenkomst ontbreekt – of X op basis van een arbeidsovereenkomst voor Y werkzaam was. Onder verwijzing naar artikel 7:610 BW, hetgeen partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan en de feitelijke uitvoering wordt geoordeeld dat aan alle elementen voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is voldaan. Ten aanzien van het ontslag op staande voet wordt overwogen dat uit de door Y en haar zoon bij de politie afgelegde verklaringen blijkt dat de vader van X heeft geslagen. De reden die aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd, te weten dat X Y geslagen heeft, kan dan ook geen stand houden. Y heeft ter zitting gesteld dat ook het te laat komen c.q. het niet komen opdagen op het werk aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd en verwijst daartoe naar de in de ontslagbrief vermelde zin ‘ten gevolge van gisteravond 26 februari en het slaan naar mij’. Deze daden/gedragingen waar Y op doelt zijn niet in de ontslagbrief neergelegd. Y heeft ook niet gesteld en onderbouwd dat het X bij ontslagverlening duidelijk moest zijn dat deze verweten gedragingen grond voor het ontslag waren. Daarbij komt verder dat voornoemde redenen in zijn geheel en derhalve niet tevens afzonderlijk aan het gegeven ontslag ten grondslag zijn gelegd. Dit brengt met zich dat alle vermeende gedragingen door Y in het geheel bewezen moeten worden, wil het ontslag op staande voet standhouden. Nu niet is komen vast te staan dat X Y geslagen heeft, ontvalt daarmee de gehele grondslag van het ontslag op staande voet. De loonvordering wordt vanaf 27 februari 2015 op grond van artikel 7:628 lid 1 BW toegewezen.