Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 25 september 2015
ECLI:NL:RBROT:2015:6803
werknemer/MAS Architectuur B.V.
Werknemer is op 1 januari 2000 in dienst bij Mas getreden voor de duur van 38 uur per week in de functie van tekenaar/ontwerper. Het UWV heeft Mas op 7 mei 2012 de gevraagde toestemming voor opzegging wegens bedrijfseconomische redenen verleend. Mas heeft op 12 april 2012, met gebruikmaking van de verleende toestemming, de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd tegen 1 november 2012. Werknemer vordert schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag en beroept zich op het gevolgencriterium. Als meest verstrekkend verweer voert Mas aan dat de (rechts)vordering van werknemer is verjaard.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De verjaringstermijn van zes maanden (art. 7:683 (oud) BW) is aangevangen op 2 november 2011. Niet in geschil is dat werknemer met zijn brief van 2 april 2013 de verjaring tijdig heeft gestuit en dat op 3 april 2013 een nieuwe verjaringstermijn van zes maanden is gaan lopen. Gelet op de aard, inhoud en strekking van de brief van 30 augustus 2013 kwalificeert deze als een stuitingsbrief. Derhalve is na 31 augustus 2013 een nieuwe verjaringstermijn van zes maanden aangevangen. Mas betwist dat de (stuitings)brieven van 2 april 2014 en 17 september 2014 haar hebben bereikt. Op grond daarvan staat vooralsnog onvoldoende vast dat werknemer de verjaring van zijn vordering na 31 augustus 2013 tijdig heeft gestuit. Op werknemer rust het bewijs van zijn stelling dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit. De door werknemer aangevoerde feiten en omstandigheden zijn niet dan wel onvoldoende om op grond daarvan tot de conclusie te kunnen komen dat werknemer de verjaring van zijn vordering na 31 augustus 2013 tijdig heeft gestuit. De brieven van 2 april 2014 en 17 september 2014 zijn niet aangetekend verstuurd. Ter comparitie van partijen heeft werknemer verklaard dat bewijslevering ten aanzien van de ontvangst van de brieven lastig wordt. Dat de vorige behandelaar volgens werknemer stellig zou hebben verklaard dat de brieven zijn verstuurd en naar hetzelfde adres als waar alle andere correspondentie is gestuurd, die wel door Mas is ontvangen, rechtvaardigt nog niet de gevolgtrekking dat de brieven van 2 april 2014 en 17 september 2014 Mas ook daadwerkelijk hebben bereikt. Voor het overige voert werknemer geen dan wel onvoldoende andere feiten en omstandigheden aan zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen. Volgt afwijzing van de vorderingen.