Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/Sociaal Fonds Taxi
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 september 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:7325

werkgever/Sociaal Fonds Taxi

Matiging forfaitaire schadevergoeding Sociaal Fonds Taxi. Eigen vorderingsrecht cao-partijen.

Bij brief van 29 maart 2012 deelt SFT aan werkgever mee dat zij verzocht had voor alle werknemers de inhouding en opgave van pensioengegevens na te lopen en zo nodig te corrigeren. Zij heeft alleen enkele stukken betreffende werknemer Y ontvangen en kondigt aan dat zij op basis van artikel 9 van het Reglement een forfaitaire schadevergoeding aan zal zeggen indien zij niet binnen twee weken de ontbrekende stukken ontvangt (nota’s en details over doorgevoerde pensioenmutaties en -berekeningen, loonspecificaties en bewijzen van terugbetaling van te veel ingehouden pensioenpremie). Na wat moeizame correspondentie, wordt het onderzoek in april 2012 voorlopig afgerond. In juli heropent SFT het onderzoek, nadat opnieuw onregelmatigheden zijn gebleken. SFT heeft gevorderd dat werkgever wordt veroordeeld tot naleving van de CAO Taxivervoer en meer precies tot overlegging van de stukken die zijn genoemd in de onder 3.14 bedoelde brief van 30 juli 2012, alsmede tot betaling van € 161.856 forfaitaire schadevergoeding (berekend over de periode van 29 augustus 2012 tot 21 november 2012), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 2 april 2013 en met buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter heeft geoordeeld dat werkgever er niet op mocht vertrouwen dat met het afgeven van de afsluitende verklaring op 25 april 2012 het lopende onderzoek was afgerond. De kantonrechter matigde de al door SFT beperkte forfaitaire schadevergoeding tot € 80.000.

Het hof oordeelt als volgt. Werkgever heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat de essentie van een afsluitende verklaring is om de markt voldoende waarborgen te bieden dat de verkrijger van de verklaring een bonafide taxionderneming is die de kernbepalingen van de cao correct naleeft en dat een voorwaardelijke verklaring in strijd is met dat systeem. Naar het oordeel van het hof ziet werkgever over het hoofd dat de verklaring ten behoeve van de markt niet voorwaardelijk is, zoals blijkt uit de tekst. Waar het in deze procedure om gaat is of werkgever, zoals zij stelde, mocht verwachten dat met het ontvangen van de verklaring het onderzoek was afgerond. Uit het enkele feit dat zijzelf op 26 april 2012 nog stukken toestuurt en nog meer stukken aankondigt blijkt al dat zij beter wist.

Uit het voorgaande volgt dat werkgever niet steeds aan haar verplichtingen jegens SFT heeft voldaan. SFT kon daarom gebruik maken van haar bevoegdheid een forfaitaire schadevergoeding op te leggen zoals beschreven in artikel 9 lid 2 van het Reglement (zie onder 3.3). Dat dit een boetebeding is in de zin van artikel 6:91 BW, zoals werkgever stelt, is naar het oordeel van het hof juist (zie ook de eerdere uitspraken van dit hof in ECLI:NL:GHARL:2013:8306 en ECLI:NL:GHARL:2014:5666). Anders dan werkgever veronderstelt, is daarmee evenwel niet gegeven dat de boete een vervangende schadevergoeding is, waarnaast op grond van artikel 6:92 BW geen ruimte is voor een vordering tot nakoming van de verplichting om de gevraagde informatie te verstrekken. Niet alleen is artikel 6:92 BW van regelend recht, ook de strekking van het beding zelf dient zo nodig te worden uitgelegd. Naar het oordeel van het hof heeft het onderhavige boetebeding een meerduidige strekking. De boete, die bij de in artikel 9 lid 2 vermelde ingebrekestelling in het vooruitzicht wordt gesteld, dient in deze context als prikkel tot nakoming binnen de gestelde termijn. Bij overschrijding van die gestelde termijn dient de wekelijks oplopende boete ingevolge artikel 9 lid 1 van het Reglement tot vergoeding van:

a. schade zoals bedoeld in artikel 15 Wet CAO wegens schending van de cao, welke vergoeding gevorderd kan worden door een vereniging van werkgevers of werknemers die partij is bij een cao (ten behoeve van zichzelf en/of haar leden). De vergoeding kan evenwel alleen gevorderd worden van (een lid van) de wederpartij bij die cao, zodat deze bepaling niet op de onderhavige situatie van toepassing is, nu werkgever onbetwist heeft gesteld alleen door algemeenverbindendverklaring gebonden te zijn aan de hier aan de orde zijnde cao’s;

b. de materiële en immateriële schade zoals bedoeld in de artikelen 15 en 16 Wet CAO wegens schending van algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de cao door een werkgever of een werknemer, welke vergoeding ingevolge artikel 3 lid 4 Wet AVV gevorderd kan worden door een vereniging van werkgevers of werknemers die partij is bij die algemeen verbindend verklaarde cao (ten behoeve van zichzelf en/of haar leden).

Daarnaast strekt de boete, die in de gevallen a en b krachtens delegatie door SFT namens de cao-partijen mag worden gevorderd doch slechts voor zover het hun eigen schade betreft, ingevolge artikel 9b lid 3 van het Reglement tot:

c. dekking van de kosten van het toezicht op de naleving van de cao, waarbij SFT niet hoeft aan te tonen dat zij de schade in de omvang als gevorderd daadwerkelijk heeft geleden.

De verlangde boete strekt in dit geval dus tot vergoeding van de eigen schade van de cao-partijen voor zover zij een vereniging zijn en tot bestrijding van de onder c genoemde kosten.

Het daarvoor verschuldigde bedrag is gefixeerd in die zin, dat het niet om een en hetzelfde concrete bedrag gaat, maar om een forfaitair bedrag: de uitkomst van een berekening op basis van vastgelegde variabele, maar objectief vast te stellen, gegevens. Deze fixatie brengt mee dat geen onderzoek is vereist naar het bestaan en de omvang van de werkelijke schade. Naar het oordeel van het hof valt uit de bewoordingen van de cao niet op te maken dat de hiervoor onder c bedoelde kostenvergoeding ertoe strekt in de plaats te komen van de verplichting tot nakoming van de algemeen verbindend verklaarde cao. Datzelfde geldt voor de vergoeding van de eigen schade die de cao-partijen lijden als gevolg van de schending van de algemeen verbindend verklaarde cao. Het hof overweegt voorts dat het oplopen van een boete (los van de hoogte ervan) naarmate de van werkgever verlangde prestatie langer uitblijft ook niet aannemelijk maakt dat de boete moet worden beschouwd als vervanging voor de door SFT verlangde nakoming van bepaalde concrete verplichtingen van werkgever, waarvan de omvang niet door tijdsverloop wijzigt. Het hof is van oordeel dat er in dit geval reden was voor matiging, mede gelet op de wijze waarop werkgever aan het beding is gebonden: zij is niet zelf de gefixeerde boete overeengekomen, maar moet het boetebeding tegen zich laten gelden als gevolg van de algemeen verbindend verklaarde cao. Hoewel werkgever geen gegevens heeft verstrekt over haar financiële situatie, leidt het in hoogte of tijdsduur onbegrensde boetebeding in dit concrete geval naar het oordeel van het hof evenwel tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat, zulks tegen de achtergrond van het doel van de gefixeerde boete in de onderhavige zaak: vergoeding van de eigen schade van de cao-partijen voor zover zij een vereniging zijn en tot bestrijding van de onder c genoemde kosten. De wijze waarop het beding de hoogte van de boete bepaalt, is een volledig willekeurige wijze van schadeberekening. Gelet op de aard van de schade valt niet in te zien dat deze schade tijdsevenredig toeneemt.