Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 21 september 2015
ECLI:NL:RBOBR:2015:5744
A. c.s./Essent Personeel Service B.V.
A is sinds 1 januari 1991 in dienst bij (de rechtsvoorgangers van) Essent. Zijn laatste standplaats was tot 30 maart 2015 Roermond. B is sinds 1 februari 1993 in dienst bij (de rechtsvoorgangers van) Essent. Haar standplaats was aanvankelijk Maastricht en later tot 30 maart 2015 Roermond. Met ingang van 30 maart 2015 is door Essent de locatie Roermond gesloten. Het personeel van die locatie is per 1 april 2015 overgeplaatst naar de locatie ’s-Hertogenbosch. A en B vorderen dat de kantonrechter Essent veroordeelt hen beiden boventallig te (doen) verklaren. Zij stellen dat hun reistijd door de wijziging van hun standplaats van Roermond naar ’s-Hertogenbosch niet meer passend is. Beiden hebben nu een reisduur die langer is dan twee uur per enkele reis. Op grond daarvan hebben zij beiden een beroep gedaan op boventalligheid conform het sociaal plan.
De kantonrechter oordeelt als volgt. A en B hebben voldoende gemotiveerd onderbouwd dat de duur van de nieuwe reistijd voor hen fysiek en mentaal zeer zwaar is. Daarmee is het spoedeisend karakter reeds voldoende gegeven. Bovendien stond het A en B vrij om te kiezen voor de onderhavige procedure nu het volgen van de interne bezwaarprocedure bij Essent niet verplicht was voorgeschreven, en zij op terechte gronden hebben aangegeven dat zij geen meerwaarde zagen in die procedure nu de beslissing in die procedure niet bindend is. Essent heeft gesteld dat er geen sprake is van boventalligheid omdat de reistijd dient te worden berekend aan de hand van de meest efficiënte wijze van vervoer. In het geval van A en B dient deze berekend te worden aan de hand van reistijd met de auto. In het geval van A bedraagt de reistijd dan 1 uur en 41 minuten en in het geval van B bedraagt de reistijd 1 uur en 42 minuten. De voor hen berekende reistijd valt binnen de norm van het sociaal plan. A en B hebben daartegen ingebracht dat in het sociaal plan niet staat aangegeven op welke wijze de reistijd berekend dient te worden. In hun ogen dient alleen al om deze reden de daadwerkelijke reistijd te worden berekend, waarbij voor beiden het openbaar vervoer telt. Een berekening op basis van het openbaar vervoer valt buiten de norm van het sociaal plan. Geoordeeld wordt dat uit de tekst van het sociaal plan niet kan worden afgeleid van welke berekeningsmethodiek in het kader van de boventalligheid gebruik moet worden gemaakt. Essent heeft gewezen op de omstandigheid dat zij dat de methodiek bij haar werknemers bekend heeft gemaakt via haar intranetpagina ‘de vragen en antwoorden bij het Sociaal Plan’ waarin zulks staat vermeld. Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter hebben A en B terecht opgemerkt dat de intranetpagina geen deel uitmaakt van het sociaal plan. Ook uit het feit dat de centrale ondernemingsraad wel op de hoogte was van de berekeningsmethode, kan nog niet worden afgeleid dat alle werknemers daarvan op de hoogte waren of hadden dienen te zijn. Voorts geldt dat met betrekking tot de berekening van de vergoeding van de reistijd dat de werknemers op grond van het sociaal plan een keuze hebben mogen maken tussen reizen met de auto en het openbaar vervoer. In dat kader ligt het voor de hand dat een werknemer dan aanneemt dat voor de berekening van de reistijd hetzelfde geldt, zeker nu in het sociaal plan daarover verder niets anders is geregeld. Dit alles leidt ertoe dat het standpunt van Essent niet wordt gevolgd. A en B mochten er dus gerechtvaardigd op vertrouwen dat de berekening van hun reistijd werd gebaseerd op grond van hun keuze voor het openbaar vervoer. De gevraagde voorziening wordt toegewezen, ook al zijn de gevolgen daarvan in feite niet meer herstelbaar.