Naar boven ↑

Rechtspraak

Sociale Verzekeringsbank/werkneemster
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 29 september 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:2526

Sociale Verzekeringsbank/werkneemster

Degradatie leidinggevende onterecht. Gewraakte handeling tot wijziging adres SVB deed werkneemster als klant en niet als leidinggevende.

Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om de vraag of SVB als werkgeefster jegens haar werkneemster werkneemster ten onrechte de maatregel van ontheffing uit haar functie van teamleidster en degradatie naar een lagere functie met bijbehorend lager salaris heeft genomen. SVB heeft bedoelde maatregel genomen naar aanleiding van het feit dat werkneemster aan een collega heeft verzocht een mutatie in het systeem van SVB met betrekking tot werkneemster op te nemen. Die mutatie hield in dat werkneemster verhuisd was naar een ander adres en daar met haar twee minderjarige kinderen woonde als eenoudergezin. Dit terwijl volgens het echtscheidingsconvenant tussen werkneemster en haar ex-echtgenoot, geen sprake was van een eenoudergezin, maar van co-ouderschap. Bij registratie als eenoudergezin is de ouder die bij SVB staat geregistreerd met uitsluiting van de andere ouder bevoegd het rekeningnummer te wijzigen waarop de kinderbijslag wordt gestort; bij registratie als co-ouderschap zijn alleen beide ouders gezamenlijk daartoe bevoegd. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vorderingen van werkneemster, kort gezegd strekkende tot intrekking althans vernietiging van de door SVB getroffen maatregel, toegewezen in zoverre dat hij de door SVB getroffen maatregelen heeft geschorst en SVB heeft gelast werkneemster weer toe te laten in haar functie als teamleidster zodra zij weer volledig arbeidsgeschikt is.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof deelt het voorlopige oordeel van de kantonrechter dat de door SVB getroffen maatregel van ontheffing uit haar functie van teamleidster en plaatsing in de functie van medewerker IST-B disproportioneel is in de gegeven omstandigheden. Uit de vaststaande feiten volgt dat werkneemster bij het gewraakte verzoek tot het opnemen van een mutatie in het AKW-systeem handelde als klant van SVB en niet als werkneemster. SVB heeft dit op zichzelf ook niet weersproken. Niet in geschil is voorts dat werkneemster de daartoe geëigende weg heeft gevolgd: intern beleid bij SVB is dat medewerkers met minderjarige kinderen wijzigingen met betrekking tot hun eigen kinderbijslag door een collega uit een ander team laten invoeren. Er was dus sprake van een privéhandeling van werkneemster. Niet valt voorshands in te zien dat werkneemster daarbij misbruik heeft gemaakt van haar positie als werkneemster van SVB, laat staan van haar leidinggevende positie. Het hof neemt bij zijn voorlopige oordeel voorts in aanmerking dat de toepasselijke cao voor de Sociale Verzekeringsbank (verder: de cao) de door SVB toegepaste sanctie van ontheffing uit de functie gevolgd door degradatie niet kent. Anders dan SVB betoogt, valt degradatie naar een lagere functie bij uitleg overeenkomstig de cao-norm naar het voorlopige oordeel van het hof niet onder ‘verplaatsing’ als genoemd in artikel 20 lid 2 aanhef en onder d van de cao.